Per huifkar naar Zuid-Frankrijk
 

Verander de achtergrondkleur  


Bien
passé
vos
vacances?

 

Rianne drinkt uit dorpsfontein

 

 

Wat is het leven mooi



Wat is geluk?



Gefriemel, gefrutsel,
'je t'aime'



Vive la France

Een mooie meid op
een fiets...

Nieuw woord: 'les crottins...'



A cause de l'hygiène...



Dochter van  Eva...



Keurig in het pak,
met stropdas...



Strak gebroekt,
rood  gelaarsd

Bien passé vos
vacances?

 

 

 

home



Mijn rug voelt aan als een beurse peer. Het zal wel door de kou en nattigheid komen. Vandaag loop ik niet mee en zit evenmin op de bok. Ik zit erachter, droog en warm. De leidsels zijn net lang genoeg. De auto's rijden met lichten aan als ik aanklop bij een boerderij in Arrigny. Thierry Pêcheur verwelkomt me, blij als was ik een vriend op wie hij heeft zitten wachten.
Rianne krijgt een stal met hooi en stro, voor de huifkar is plaats in een stal met twee koeien en twee kalveren. Buiten woedt een herfststorm. Ik heb een nieuwe manier gevonden om mijn voeten warm te houden: sokken in de broekzakken steken en tijdig wisselen.

(20/10) Harde wind in de rug, maar (nog) geen regen. Van Arrigny naar Orconte mis ik de afslag naar de D 13. Bij l'Isle sur Marne neem ik een onverharde weg naar Matignicourt. Vlak voor het einde wordt de weg te drassig. Terug naar Larzicourt. Minstens twee uur verspild. Echter, dankzij de omweg zitten we nu in Heiltz l'Evêque in een ontzaglijk grote schuur van Michel Panelier, de burgemeester. Hij schat dat het nog honderdveertig kilometer is naar Sedan. Over vijf dagen kan ik in de Belgische Ardennen zijn.
Ik boer piepers-uit-blik op, herkauw en neem er een slok koffie bij. Thuis zal ik naar de brillenman moeten, kaartlezen bij kaarslicht wordt moeilijk. 't Zal de leeftijd wel wezen.

(21/10) De middagpauze wordt gehouden achter een houtopslag van een boer in St. Jean devant Possesse. De man herinnert zich mij twee maanden geleden te hebben gezien. Het was warm die dag en ik droeg een grote strooien hoed. Of ik van plan ben Rianne thuis op stal te zetten en haar niet meer te laten werken? Dat zou niet goed zijn voor het dier. Een paardenvriend, dat is duidelijk. Ik zeg dat we allebei zullen moeten afkicken. De man is gerustgesteld. Zijn vrouw, dochter en zoon komen een kijkje nemen. Even later komt iemand een stuk appeltaart brengen.
In Vanault les Dames zwaait een jongen naar me. 'Bien passé vos vacances?', goede vakantie gehad? Ook hij herkent me van twee maanden terug. Het geeft me het gevoel al bijna thuis te zijn.

In Vieil Dampierre heb ik op de heenweg overnacht in een klein weitje van een grote boer. Ik bel aan en vraag of we nu op een beschutte plaats kunnen overnachten. Dat kan, zegt de jongeman die opendoet. Zou een plek onder de overkapping bij de landbouwmachines mij schikken? Dat schikt. De jongeman draait zich om en wil naar binnen gaan. Ik hou hem tegen. Is er stro en hooi?, vraag ik. Hij verontschuldigt zich daar zelf niet aan gedacht te hebben. Of ik even wil meehelpen? Staande op de bovenste tree van de ladder probeer ik een pak hooi los te trekken. Na hevig rukken lukt het, de ladder helt achterover. Mijn engelbewaarder voorkomt dat mijn leven voortijdig eindigt op de betonnen vloer in de diepte.
Vanavond een blik linzen met worstjes, brood met mosterd. Een kiesvulling. Eenmaal brood met kaas, tweemaal brood met chocolade en vier koeken volgen.
Floppie betwist Rianne het recht op een strobed. Ze wentelt zich erin en blaft agressief. Ik leg stro op haar mat onder de kar.

(22/10) De school is nog niet uit in Ville sur Tourbe. Meneer de onderwijzer, die Schneider blijkt te heten, maakt gebruik van mijn onverwachte terugkomst door de kinderen vragen te laten stellen over mijn reis. Ik eet bij hem en zijn vrouw 'à la fortune du pot', wat de pot schaft. Preisoep, restjes konijn, puree, boontjes, sla, een prutje van rode bessen en appeltaart. Tollend van de slaap kruip ik om elf uur in mijn slaapzak.

De haan slaapt nog als ik wakker word. Ik wacht zijn gekraai af en geef Rianne haar ochtendbrok. Het waait hard, lijkt te gaan regenen maar koud is het niet.
Meneer Schneider geeft mij les. 'Un stère is het equivalent van een 'mètre cube', een kubieke meter. Het woord wordt gebruikt voor brandhout. In gestapeld brandhout zitten veel openingen. In een kubieke meter zit dus veel lucht. Je betaalt voor het hout, niet voor de lucht. Een stère is een kuub brandhout zonder lucht. Een houtverkoper die het niet zo nauw neemt met de stère is 'pas trop catholique', niet erg katholiek. En wat de liefde van de Franse boeren voor paarden betreft: vroeger, toen ze er nog mee werkten op het land, werd de écurie, de paardenstal, tegen de keuken aangebouwd. Ze waren gek op hun dieren. Oud werden die niet. Met twaalf, dertien jaar waren ze opgebruikt.
Nu snap ik waarom het Frans twee woorden kent voor stal. Étable voor koeien en ander vee, écurie voor de edele viervoeter. Net als op de heenweg voel ik het verlangen in mij opkomen de basisschool over te doen bij meester Schneider. Helaas, ik kan de klok niet terugzetten. Vooruit met de kar.

In Le Morthomme verwijzen twee vriendelijk groetende mannen mij naar Edmond le Loup in Briquenay, 'een grote boer met honderdvijftig koeien, drie honden en een wild varken met grote slagtanden'. Ze kennen hem als een gastvrij mens. En zo is het. Televisiekijkend verorberen we een dikke soep, ieder twee eieren, ham, rode kool, kaas en een mand brood. Er is een 'goût de prunes' als slaapmutsje. Vijftig procent alcohol, eigen fabrikaat.

(24/10) Volop herfst, prachtig. Het is zomers warm. We zweten wat af op de steeds steiler wordende wegen. Als alles meezit passeren we morgen de Frans-Belgische grens.
In Sommauth komt de correspondent van de krant l'Union een babbeltje maken. In de kerk van Sommauth steek ik twee kaarsen op bij het Maria-altaar. Hoezo nostalgisch? Eens gedoopt en gevormd, altijd katholiek. Was ik in Tibet geboren, ik stak een kaars op voor Boeddha. Was ik in Saoedi Arabië geboren, ik zou vijf maal per dag tot Allah bidden. Was ik in Nunspeet geboren, ik zou op zondag niet met de huifkar rijden. Hierover peinzend rijden we Raucourt binnen.
Rianne en ik worden van elkaar gescheiden. De huifkar wordt een schuur ingerold, nadat een van de twee auto's eruit is gereden. Voor Rianne is plaats in een 'parc', een paar honderd meter verderop. Twee koeien vormen haar gezelschap. 'Madame' voelt er niets voor. Nadat we de wei zijn ingeglibberd, bind ik haar vast aan een boom en sluit de poort. Als ik haar loslaat rent ze terug naar de ingang. Ze loopt met me mee langs de afrastering tot ze niet verder kan. Ze hinnikt klaaglijk. Ik voel me schuldig.

(25/10) In Daigny gaat net de school uit. Als een zwerm dazen vliegen de kinderen op ons af. Rianne wordt geknuffeld bij het leven. De meester, tevens burgemeester, geeft toestemming te rusten op het oefenterrein van de voetbalclub waar een man bezig is de doelpalen te verven. We maken een praatje. Een jongen brengt me een krant die bericht over twee Nederlanders die met een caravan, getrokken door twee fjorden, in Givet zijn gesignaleerd.

De côte vanaf Givonne naar de grens telt vijf steile kilometers. Onderweg stoppen we bij een cafeetje waar een oude vrouw de lof zingt over mijn manier van vakantievieren. Het spijt haar het te moeten zeggen, maar ik moet er rekening mee houden dat de Belgen minder gastvrij zijn dan de Fransen.

We passeren de grenspost. Een jonge Belgische douanebeambte komt het kantoor uitgestoven en vraagt op opgewonden toon 'wat dat wel niet moet! Of ik geen formaliteiten heb te vervullen?!' Ik leg hem uit dat de huifkar mijn caravan is, Rianne de motor en ik op terugweg ben naar Nederland. Mijn gevoel voor humor deelt hij niet. Kar aan de kant, ik naar binnen!
Een wat oudere beambte kijkt vermoeid op van zijn bureau en steekt een hand uit. Ik leg er mijn paspoort in en de keuringspapieren van Rianne. Hij snuffelt er even in en zegt dat het goed is.
Als ik het kantoor verlaat komt een Franse douanebeambte naar me toe. Of ik zo vriendelijk wil zijn van hem een foto te maken naast Rianne. En of ik hem die foto wil toesturen. Het is de man die ik op het voetbalveld in Daigny goalpalen zag schilderen, nu keurig in het pak dat bij zijn functie past.
Even voor Bouillon vinden we een plek voor de nacht op een als 'camping à la ferme' aangegeven caravanpark.

(26/10) De weg vanaf de camping naar Bouillon is een helling van dertien procent. Ik spreek Rianne en mezelf moed in voordat we aan het waagstuk beginnen. De leidsels in de hand loop ik mee. Rianne zet zich schrap en laat andermaal zien dat ze niet alleen uit spek maar vooral uit spiermassa bestaat. De achterhand bolt op in de lederen broek; langzaam en bedaard daalt ze de berg af. (Wat ben ik trots op haar!) Hierna volgt een lange klim van zeven procent.

Alsof het ze erom te doen is de vrouw in het cafeetje voor de Frans-Belgische grens gelijk te geven, klop ik driemaal tevergeefs aan bij Belgische boeren. De eerste heeft geen plaats, de tweede zegt botweg nee, de derde verwijst me naar iemand die paarden heeft, monsieur Albert Walter in Graide. Meneer Albert, een joviale, weldoorvoede, alleenstaande man zorgt voor hooi, stro en koffie. Ik moet het hem niet kwalijk nemen maar het is vanavond kaartavond, die wil hij niet missen. Als ik wil kan ik tijdens zijn afwezigheid gebruik maken van de keuken.

(27/10) Rianne zet er de sokken in. Dertig kilometer berg op berg af loopt ze als een vlakke weg. Ruikt ze nu al haar stal in Oss? In elk geval zitten we op bekend terrein.
Philip ontvangt ons met open armen. Vriendin Pascal, die bij mijn bezoek op de heenweg verkikkerd op me werd, blijkt aan het boeren te zijn geslagen. 'Je veux la solitude avec les bêtes et un enfant', zei ze toen ze me over haar leed vertelde. In eenzaamheid leven met dieren en een eigen kind. Een deel van die wens heeft ze vorm gegeven. 'Les bêtes' zijn vijfendertig eenden, vier biggen en vier katten. Ik moet ze meteen zien. Ook moet ik mee naar een vriend bij wie ik kan douchen en slapen. Ik weiger, vriendelijk maar beslist. Aan douchen heb ik geen behoefte en slapen doe ik in de huifkar. Alleen!
Philip heeft last van zijn rug, zijn nieren en zijn hoofd. Stress, meent hij. In zijn fabriek staat het tuinmeubilair hoog opgestapeld. De slechte zomer heeft hem omzet gekost, de verzekering voor het pand moet worden betaald maar hij heeft geen geld. Wel geld om mij te onthalen op een dikke biefstuk. Gastvrij België!
Pascal laat zich na de maaltijd niet meer zien. Ik ontmoet haar de volgende ochtend kort na mijn vertrek. Ze heeft bij haar moeder geslapen. Of ik haar wil schrijven. Ziet ze in mij nog steeds de reddende engel die haar uit haar eenzaamheid kan verlossen?

(28/10) Het is weer om reumatiek te krijgen. Kil en vochtig. Rianne dampt, de 'côtes' zijn pittig. In Liroux, waar we overnachten, was het vannacht min twee. Volgens 'Ukkel' zal het komende nacht niet vriezen. Plus zes. Warm.
Een broer van mijn gastheer vraagt me het hemd van mijn lijf. Ik leg mijn ziel niet bloot. Ook mijn gastheer wil wel het een en ander weten, maar hij weet dat er grenzen zijn.

(29/10) We zijn nu zo'n drie maanden onderweg. Ik heb het gevoel dat het niet meer is dan één heel lange dag. Ik verwarm mijn schrijfhand boven een kaars. Thuis wacht de centrale verwarming. Heb ik daar behoefte aan?

(30/10) 'Klimmerds' van acht tot tien procent. Hoewel ze een uitstekende conditie heeft, laat ik Rianne tijdens een lange klim toch geregeld rusten. Blok achter het wiel en uitpuffen maar. Desondanks leggen we maar liefst veertig kilometer af. We doen de klus dan ook samen. Ik heb een trekband voor mezelf gemaakt. Dat scheelt... moreel.
Even buiten Hamois biedt de eigenaresse van een hotel-restaurant ons een plek voor de nacht aan. Ik dank haar voor het aanbod, maar over een uur kan ik bij Jean-Pierre en Agnes in Strée zijn, gastvrienden van de heenweg. 'Volgend jaar misschien', zegt ze uitnodigend.
De wei van de ouders van Jean-Pierre is weer beschikbaar. Rianne heeft gezelschap van een bok, een geit, twee schapen en een ezel.

(31/10) Rianne is aan nieuwe schoenen toe. Xavier, een hulp van Jean-Pierre, snort een hoefsmid op. Die mompelt tijdens het bekappen iets over 'fourbu'. Mijn woordenboek biedt uitkomst. 'Fourbu' is 'bevangenheid'. Hoefbevangenheid! Ik schrik me een ongeluk. Ik ken een Shetlandse pony die vrijwel elk voorjaar hoefbevangen raakte. Te veel jong gras. Gevolg was dat het arme dier niet meer van zijn plaats kon komen. Benen stijf als houten stokken en veel pijn.
De hoefsmid stelt me gerust. Hij is slechts in één hoef sporen tegengekomen. Niet erg, van heel lang geleden. Geen zorgen! De hoeven zien er prima uit. Maar ik doe er wel goed aan thuis de hoefsmid erop te attenderen.

Het zit me niet lekker. Ik sla het boekje 'Praktische paardenhouderij' erop na. Als mogelijke oorzaken worden genoemd: overmatige inspanning op te harde bodem, voedingsfouten (voeren van granen), overmatige voeding, vergiftigingen, enzovoorts. Heb ik in het begin van mijn tocht toch teveel van Rianne gevergd? Maar als een paard bevangen raakt, dan merk je dat toch?! En dat gebeurt niet aan één maar aan alle hoeven? Niet soms? Mijn vraag schijnt niet tot de hoefsmid door te dringen. Of wil hij hem niet horen?
Jean-Pierre geeft me geen kans er uitgebreid over te piekeren. Hij heeft grootse plannen en bruist van enthousiasme. Mijn bezoek in augustus heeft hem op de gedachte gebracht iets met paarden te gaan doen. Geen huifkartocht, waarvan hij eerder droomde, maar zomervakanties organiseren voor groepen kinderen. Een nieuwe droom? 'La réalité!' Hij heeft een leegstaande boerderij met tien hectaren grond op het oog. Ferme de Chéricoux in Achet, een aardig eind van de bewoonde wereld. Agnes heeft haar bedenkingen. Buiten het seizoen zou het wel eens erg eenzaam kunnen zijn.
We gaan een kijkje nemen. Groot, oud en prachtig gelegen. Als de plannen rond zijn zal Jean-Pierre me bellen om in Nederland naar geschikte fjorden te zoeken. En, zou hij dan ook mijn huifkar mogen lenen tot hij er zelf een heeft gebouwd? Leuk voor de kinderen! (Deze droom wordt, zoals later zal blijken, omgezet in succesvolle werkelijkheid).

Rond het middaguur laten we Strée achter ons. De weg naar Amay is een fluitje van een cent. Rianne loopt als een kievit. Steile berghellingen zijn verleden tijd. Dacht ik. Er wacht een toetje, een klim van negen procent. Rianne stopt twee keer uit zichzelf om uit te rusten.
In St. Georges veegt Paulette het erf bij. Al weer een bekende van de heenweg. Met een brede glimlach begroet ze me. 'Tu entres?', kom je binnen? Het is pas half vier. 'Nou ja, nee, eigenlijk wil ik...' Ja, wat wil ik eigenlijk. Heb ik haast? Even later staat de huifkar op zijn oude plek naast de stal met koeien en varkens. Paulette heeft foto's voor me die bij mijn bezoek op de heenweg zijn gemaakt.

(1/11) Witte, gele en paarse chrysanten vinden hun weg naar de begraafplaats in Tongeren. Morgen is het Allerzielen.
Geen wolkje aan de lucht. Warm is anders, maar dat verwacht je ook niet in november. Een man houdt me aan en vertelt vol trots dat zijn Shetlander zevenhonderd kilo kan trekken. Hij stookt zijn kachel met hout en haalt het waar hij het krijgen kan. Vreemd onderweg te worden aangesproken in het Nederlands. Het begon al in Herstappe: 'De Limburgers heten u welkom'. Een spandoek over de volle breedte van de weg. Voor mij zijn die Limburgers een gastvrije agrariër en zijn eega in Bilze. Ze tracteren mij op een pintje en Rianne op hooi.

(2/11) Om voor donker aan te komen op de Breughelhoeve, de manege tussen Grote Brogel en Kaulille, wisselen we stap af met draf. Op stal mag Rianne uitzweten.
Ze blijft op stal, het gaat vriezen vannacht. In de verhouding drie op drie op één krijgt ze een mengsel van geplette haver, gerst en melasse en een plak tarwestro als ruwvoer. Een hoefsmid kijkt even naar haar hoeven. Ik vraag hem of Rianne hoefbevangen kan zijn geraakt zonder dat ik het heb gemerkt. Hij ontwijkt een rechtstreeks antwoord door te opperen dat het al gebeurd kan zijn voor ik haar kocht. In elk geval hoef ik mij gezien de reis die we hebben gemaakt geen zorgen te maken. Wel oppassen met eten geven, waarschuwt hij. Eenmaal thuis is goed hooi, water en een handje brok voldoende.
Ik besluit de schuld te geven aan de vorige eigenaar van Rianne. Die man had grote handen..

(3/11) Bij Budel gaan we de Nederlandse grens over. We nemen rust bij een manege. 'Ze ziet er goed uit', zegt Louis, de baas. 'De reis heeft haar geen kwaad gedaan. Die kun je zo opnieuw maken.'
Het Franse woord is 'costaud', stevig, had ik willen antwoorden, maar ik zwijg. Rianne is niet dik, maar gespierd. Ze is toch wel wat overtollig vet kwijtgeraakt. Ik ook. Tien kilo, zei de weegschaal van Jean-Pierre. Die waren er bij hem bijgekomen.
Louis vertelt dat zijn zoon Jacques zeventien jaar terug met paard en huifkar op vakantie ging. Nu verhuurt hij als caravan ingerichte huifkarren. Hij heeft vooral veel Belgen als klant.

Via Gastel, Soerendonk en Leende komen we in Heeze. In de bossen, op een plek waar gewoonlijk Jong Nederland kampeert, brengen we nacht door. Morgen om twee uur is er een hindernisrit voor paarden. Volgens twee mannen die het parcours uitzetten zit ik er midden in. De rits in de slaapzak laat veel kou door.

(4/11) De chocolade op mijn boterham is te hard om door te bijten. Ik leg hem op het deksel van de pan met water voor de koffie. Het heeft niet alleen gevroren, er is ook wat sneeuw gevallen. Niet veel, net genoeg om het landschap een winters tintje te geven en gelukkig te weinig om gladheid te veroorzaken.

De weg van Heeze naar Schijndel is een verschrikking. Als blikken konden doden, zat ik nu met kar, Floppie en Rianne in het hiernamaals. Hoe haal ik het in mijn hoofd om met mijn middeleeuwse vervoer op deze weg te rijden? Is die niet aangelegd voor gemotoriseerd verkeer?! De Nederlandse automobilist kan wat leren van de Franse. De gastvrijheid op de manege van de Van de Oetelaars in Schijndel verzacht het leed.

(5/11) Het scheelde maar een haar of we waren nooit thuisgekomen. Bij de met verkeerslichten beveiligde oversteek van de rijksweg bij Geffen heeft een automobilist meer belangstelling voor een vrouw in een auto naast hem dan voor het verkeer. De verkeerslichten zijn niet afgesteld op overstekende huifkarren. Ik ben op de helft als het licht op groen gaat voor de wachtenden. Nog steeds zijwaarts kijkend trekt meneer de automobilist op. Mijn geschreeuw wordt overstemd door getoeter van automobilisten die wel opletten. Gelukkig heeft de man een goed reactievermogen.

Na een bezoekje bij vrienden in Nuland leggen we de laatste kilometers af. In Oss komen we de automonteur tegen die voor mijn vertrek de remmen van de kar in orde heeft gemaakt. Hij vraagt of ze goed hebben gewerkt.
In mijn straatje word ik hartelijk begroet door buren. Een vriendin met een grote tuin, ingericht als winterverblijf voor onze paardjes, is blij mij gezond en wel terug te zien. Ze had me al verwacht. 'Koffie?'
Het weerzien tussen haar tien jaar jongere fjord Comiek en mijn Rianne verloopt paardachtig. Even snuffelen, een luidklinkende 'jel' van Rianne, die zoveel betekent als hier-ben-ik-de-baas, en dat is het dan.
Ik wandel naar mijn huis. Het is er benauwend warm. Ik kijk op de thermostaat. Vijftien graden. Geen wonder dat het zweet me uitbreekt. Er ligt een huizenhoge stapel kranten op me te wachten. Help! Wat doe ik eigenlijk in Oss? Stond de winter niet voor de deur, ik zou morgen weer vertrekken. Op vakantie, naar Frankrijk. Ik ben eraan toe!
 


klik

Rawhide