Per huifkar naar Zuid-Frankrijk
 

Verander de achtergrondkleur  

 

Een mooie
meid op
een fiets...

 


paard en huifkar op parkeerplaats

 

 

 

Wat is het leven mooi



Wat is geluk?



Gefriemel, gefrutsel,
'je t'aime'



Vive la France

Een mooie meid op
een fiets...

Nieuw woord: 'les crottins...'



A cause de l'hygiène...



Dochter van  Eva...



Keurig in het pak,
met stropdas...



Strak gebroekt,
rood  gelaarsd

Bien passé vos
vacances?

 

 

 

home


O
p een stoppelveld in Vendeuvre sur Barse spreekt een jongeman me aan. Hij heeft paarden en is van plan een huifkar te bouwen. Alweer eentje. Tegen een zijruit van zijn auto kleeft een stuk karton: 'A vendre', te koop. 
Ik ben moe. Het is bewolkt, winderig, maar niet echt koud. Tjee, ben ik moe! Pas twee uur onderweg. Rianne poept dun. Ook moe? We nemen drieëneenhalf uur rust. 
In Bar sur Seine rijden we naar het centrum. Vlees moet ik hebben; op eieren alleen kan ik niet lopen. Er ontstaat een volksoploop. De slager komt de winkel uit. 'Twee worstjes graag.' Dat wordt het eerste vlees sedert Pascal en Philip. 
Er is hier een gemeentecamping. We krijgen mooie plek bij een riviertje. Morgen blijven we hier, dat staat vast. Twee Amsterdammers komen op de koffie. Een Franse vrouw, die me ziet prutten, komt me vertellen me dat ik courgette moet bakken met tomaat en ui. 
Ik neem een douche, de eerste in ruim veertien dagen. Lekker, schoon gevoel. Vies ben ik niet. Dagelijks poedel ik me in een emmer warm water. 

Ik schrijf brieven en kaarten naar familie en vrienden. Ook naar Johannes, die me aanried een lange vakantie te nemen ter ontspanning van mijn oververmoeide geest. 'Beste Johannes. Eigenlijk zou iedereen om de zoveel jaar voor een langere periode het bijltje erbij moeten neerleggen. Iets totaal anders doen; zo'n maffe tocht maken als ik bijvoorbeeld. Carrière maken, dag in dag uit sloven om het maximale uit de ruif te peuteren, vreet aan een mens. Een paar weken vakantie is onvoldoende. Ik las dat men daar in het oude Israël een prima regeling voor had. Die hield in dat elk zevende jaar moest worden beschouwd als een sabbatjaar. Akkers, wijngaarden en olijftuinen braak laten liggen, alle Hebreeuwse slaven vrijlaten, alle schulden kwijtschelden. Wie zich daaraan hield, kon rekenen op een drievoudige oogst in het zesde jaar, zodat er in het zevende, het sabbatjaar, geen voedseltekort zou zijn. Daar zou God wel voor zorgen.' Tja... 
Ik besluit Johannes een kaart sturen met een mooie meid op een fiets. 'Spring in het zadel en koers naar Frankrijk', adviseerde hij. 'Er zijn goede fietspaden in prachtige natuurgebieden.' Hij sprak uit ervaring. Ik, fietsen? Naar het centrum waar ik honderd meter van af woon. 'Wat dacht je van een tocht te paard', vroeg ik. Hij lachte en zei: 'Waarom niet?' Zijn ogen vielen zowat uit de kassen toen hij me op een dag, tijdens een van mijn oefenritten, voorbij zag rijden met de kar. 

Ook maar een kaart gestuurd naar de man van wie ik Rianne en huifkar heb gekocht. De bedoeling was een trektocht te maken in het zadel. Kar en trektuig kon ik er voor een prikje bij krijgen. Zo is het gekomen. Voorheen werd de kar gebruikt om aardappels te vervoeren. Rianne trok hem al vanaf haar jongste jaren. Was dat niet het geval geweest, ik had de tocht op deze manier nooit aangedurfd. 'Ze is meer waard voor de dood dan voor het leven', schaterden handelaars op de Bossche veemarkt, waar ze vanuit haar wei in het Noord-Hollandse Beemster naar toe was getransporteerd. Ja, zo dik was ze. Haar baas was overgegaan op moderner vervoer. Eten was het enige dat het dier nog deed. Een vette wei, hooi naar believen en dagelijks een handje brok. Haar vorige baas had grote handen. 
In het zadel reed ik haar van Den Bosch naar Oss. 'Is dat een knol?' vroeg een jongetje aan zijn moeder. Ik deed alsof ik het niet hoorde. Van een goede merrie kun je niet genoeg in huis hebben.

(24/8) Zoals het klokje thuis tikt, tikt het al lang niet meer. Niet de wekker maar de biologische klok van moeder natuur jaagt me het bed uit. Om zeven uur, op z'n laatst om acht uur. 
Het wordt een drukke ochtend op de camping in Bar sur Seine. Constant bezoek van kinderen en volwassenen. Als een geroutineerde gids bij een toeristische bezienswaardigheid draai ik mijn verhaal af. Mijn woordenschat is verrijkt: stamboek - le studbook, rijpaard - le cheval de selle, trekpaard - le cheval d'attelage, merrie - la jument, hengst - l'étalon, fokken - l'élevage, ruggensteun - l'appui dans le dos, voetenplank - le repose de pied. 
Mijn overbuurman brengt me naar de supermarkt. Hij loopt mee, adviseert, vergelijkt prijzen. Ik koop een extra emmer voor de was en een fles Pastis. Buurman houdt ervan. Hij werkt in een textielfabriek. Vroeger bij een boer, een oom. Hij weet veel van paarden, kan ze ook beslaan. Hij wijst op slijtageplekken op de ijzers. Na zo'n tweehonderd kilometer zal ik moeten uitkijken naar een hoefsmid. 'Ce sont les pneus de votre cheval.' Zeg dat eens in het Nederlands: Het zijn de banden van uw paard. Dat klinkt voor geen cent. Nog een advies: als het paard is uitgewerkt, koud en nat van de regen, wrijf het dan warm door met stro of een lap over de ruggengraat te rossen alvorens het in de wei te zetten. Geef af en toe hooi. De dunne mest komt van het natte gras.
Een buurvrouw komt pudding brengen. De Amsterdammers gaan kanoën op de Cère. Heerlijk, zo'n dagje niksen. 

(25/8) De manegebaas in Griselles maakt bij voorkeur randonnées, buitenritten. Hij heeft tien paardjes. Mooi landschap hier. Glooiend. Druiven, maïs, luzerne, zonnebloemen, koren. Mijn gastheer brengt ongevraagd twee jerrycans water. Daarna op naar de kroeg. Rianne hinnikt protesterend. Ze wil mee. Na een uurtje of zo zijn we terug. Ik vierentwintig franc lichter, net zoveel als voor twee nachten op de gemeentecamping. Rianne staat op me te wachten. Tijdens het koken van mijn potje is ze niet weg te slaan. Nu, 22.25 uur, staat ze met haar kont tegen de klep van de kar. Een waakhond. Ik schrijf bij kaarslicht. Meer licht en geen stank. De petroleumlamp hangt onder de kar, de kaars staat veilig in een conservenglas. Mocht ik in slaap vallen dan gaat de tent niet in de fik. Ik schrijf: 'Zo'n dertig kilometer vandaag. Langere ritten, langere rustpauzes. We hebben inmiddels enige conditie opgebouwd.' Ik hoor buiten een smakkend geluid. Rianne smakt niet en Floppie ligt aan het voeteneind. Even kijken. Niets te zien. Ik aai Rianne over haar kont. Ze knort. Nog even het adres overschrijven van de buurman op de camping. Hij wil weten hoe het me vergaat.

(26/8) Ik droomde dat ik me met enkele vrienden aanmeldde als druivenplukker. Een jonge, stugge vrouw schreef mijn naam op. Ze had wat te mopperen. Wat weet ik niet meer. Wel dat het me niets deed. Voer voor psychologen, droomuitleggers.
Om negen uur zit ik op de bok. Mijn gastheer is nog niet op. En dat voor een paardenman... Ik zet de jerrycans waarin hij me gisteren water bracht voor zijn deur.
Slierten dunne mist bezorgen me koude voeten. Er is nauwelijks een auto op de weg. Dat is gunstig. Er zal er maar eentje met honderd kilometer per uur tegen de achterklep knallen. 'Sorry meneer, ik zag u te laat.' Dat zal hij of zij dan in het hiernamaals zeggen, want zo'n klap overleeft niemand. Ik, op de bok, ook niet. Ik vlieg rechtstreeks naar de hemel. Of naar de hel. En Rianne? Rianne zet zich schrap op de ontzettend steile en lange afdaling naar Montbard. Zonder rem hadden we het niet gered.
Aan de voet van Montbard is een viersterrencamping. Negen franc en zeventig centimes per nacht. Ik geef een ster extra voor de lage prijs. De beheerder ruikt nieuws voor Le Bien Public. Zijn vrouw belt, een redactrice komt vragen stellen. Waar kom je vandaan, welke route volg je, hoe heet je, wat is je beroep? Le patron, de baas, komt morgen zelf een foto maken. Ben ik er om half negen nog? Een exemplaar van de krant zal me worden nagestuurd. Ik geef het adres van de camping waar ik over een kleine drie weken hoop aan te komen. De camping die mijn ondernemende vriendin Marie met haar nieuwe vriend Henri samen met een ander stel exploiteren. 'Kom maar eind augustus', zei ze. 'Dan is de drukte voorbij.' Dat wordt dan half september.
Rianne millimetert een strook groen. Een Parijzenaar en een Zwitser houden me gezelschap. Laatste nodigt me uit koffie te komen drinken als ik mijn avondeten op heb. Het wordt half tien. Hij ligt al op bed.

(27/8) Terwijl ik, anderhalf uur gaans van Montbard, de kar geparkeerd in de berm, zit te snoepen van een boterham met honing, zie ik hoe twee personenauto's vlak voor een onoverzichtelijke bocht bumper aan bumper een vrachtauto passeren. Nauwelijks ingevoegd, scheurt een tegenligger de bocht om. Enkele seconden eerder en de begrafenisondernemer had klanten gehad.
Ze rijden hier als gekken. Een enkeling houdt even in om een andere drift te bevredigen: nieuwsgier naar die rare kar in de berm. Gek zijn ze, die automobilisten, maar niet onvriendelijk. Bij het passeren wordt naar mij getoeterd en gezwaaid. Dat een paard van een claxon kan schrikken, weet men kennelijk niet. Je kunt ook niet verlangen dat iedereen zich verdiept in het paardenwezen. Soms valt over onkunde te lachen. Zoals over de vraag van een campinggast of Rianne soms gewond was. Ze rustte op drie benen en liet het vierde gebogen op de punt van de hoef hangen. Ik heb de man uitgelegd dat dit een normale ruststand is.
 
Soms komen dromen uit. De manege in Semur en Auxois is er een bewijs van. Pa droomde, zoon realiseerde. Met pa's centen, dat wel, maar zoiets komt vaker voor. De huiskamer hangt vol met rozetten, op de schoorsteenmantel prijken bekers. Allemaal van zoonlief. Pa is trots als een pauw. Tijdens het souper kijkt hij met genoegen toe hoe drie knapen, onder wie zijn succesvolle zoon, de telefoon mollen, elkaar met de platte kant van het mes slaan en armpje drukken. 'La jeunesse', verzucht hij, de jeugd. Pa rijdt zelf geen paard meer. Hij vindt zich daarvoor te oud. 'Met de kar?' vraag ik. Ja, maar hij heeft geen tijd... Het wordt een gezellige avond. Als ik bij de huifkar terugkom zie ik geen Rianne. Ik vind haar aan de rand van de wei. Ze staat te flikflooien met een Belgisch trekpaard. Ze komt naar me toe, laat zich even aanhalen en gaat terug naar haar vriendje. Hoe zeer ze ook aan mij gehecht is, nu kom ik op de tweede plaats. Logisch, ik ben geen paard. Mijn gehinnik is niet om aan te horen.

 

 

Rawhide