Per huifkar naar Zuid-Frankrijk
 

Verander de achtergrondkleur  

 

Nieuw woord:
'les crottins...'

 

 

 


Rianne geeuwt

 

 

 

Wat is het leven mooi



Wat is geluk?



Gefriemel, gefrutsel,
'je t'aime'



Vive la France

Een mooie meid op
een fiets...

Nieuw woord: 'les crottins...'



A cause de l'hygiène...



Dochter van  Eva...



Keurig in het pak,
met stropdas...



Strak gebroekt,
rood  gelaarsd

Bien passé vos
vacances?

 

 

 

home


I
k rol de flap op die de kar aan de achterkant afsluit en kijk uit op een zonovergoten, glooiend landschap. Rechts van mij de stallen van de Club Hippique van Saulieu waar ik gisteravond onderdak vond. Claude Chantal zwaait er de scepter. De 'bak' is overdekt met rode golfplaten, onderbroken door rijen witte die licht doorlaten. Kinderen vegen, mesten stallen uit, roskammen, pletten haver. Ook voor Rianne. 
Claude spreekt zijn waardering uit over het gave vakwerk van mijn hoefsmid en de slijtvastheid van de ijzers. Ik verklap hem 'het geheim' van de widiastiften. Zijn hoefsmid, die even tevoren naar de ijzers heeft gekeken, kende ze niet. De ijzers hoeven nog niet vervangen te worden. Die widiastiften zijn echt het einde. 'Wie Diamant'. Zonder die zou ik bij wijze van spreken van hoefsmid naar hoefsmid moeten rijden.
Voor ik vertrek schrijf ik nog een paar regels in mijn dagboek. Over gisteren, de achtentwintigste dag van augustus, valt weinig meer te melden dan dat we, als gevolg van een omweg, zeven uur berg op berg af zijn gesjouwd. Ook vandaag maken we een omweg; kaartlezen is niet mijn sterkste kant.
In plaats van op de rustige D 980 belanden we op de betrekkelijk drukke D 15. Er is veel vrachtverkeer. Na de kruising met de Autoroute du Soleil zijn we daar goeddeels vanaf. 
Tijdens een pauze na een steile klim stappen twee mannen uit hun auto. Ze werpen een weemoedige blik op de huifkar. Hun grootouders hadden er zo eentje, die woonden er permanent in. Des gitans, zigeuners. Zelf wonen ze in grote caravans. De heren voldoen niet aan mijn geromantiseerde voorstelling van zigeuners. Ze zien er gewoon, ietwat burgerlijk uit. Is bij dat volkje de jus er ook al af? Foei! Ik lijk wel een Amerikaan die denkt dat alle Hollanders nog op klompen lopen. Wat waar is, maar niet alle Nederlanders. Kletspraat. Het zal wel door de warmte komen. Ik kan deze pauze beter gebruiken om een tukje te doen.  

De campingbeheerster in Lucenay l'Evêque, die mij hartelijk welkom heet, is enthousiast over mijn vorm van vakantie houden. Ze leert me een nieuw woord: les crottins, paardenvijgen. 'Geen zorg mevrouw, voor ik weg ga ruim ik ze op.'

(30/8) Rustpauze in de tuin van Louis Funel in de buurt van Autun. Louis lacht als ik hem vertel hoe moe Rianne 's avonds wel niet is. 'Elle est maline', ze neemt je in het ootje. 'Ze kan best acht uur per dag trekken. Maar ze weet dat als ze haar tempo vertraagt, jij een plek gaat zoeken. Als je haar wat kilo's wil laten afvallen, zal ze harder moeten werken. Ik werkte vroeger met paarden op het land. Van zes tot twaalf, van vier tot zeven, negen uur per dag. Dat was pas werken!' 
Dat weten we dan ook weer. Tegen de avond heeft Rianne veertig kilometer achter de hoeven. Voor het eerst heb ik haar weer eens laten draven. De wegen waren er naar en 'madame' had er schik in.

(31/8) Een lange brief naar... Nee, dat gaat niemand wat aan!

(1/9) Om zes uur word ik wakker van geknars van autobanden op grint. Een hengelaar zoekt een stekje bij de visvijver van St. Nizier sur Arroux. 'Bien dormi?' Dank u meneer, ik heb goed geslapen. 
Het mist. Om tien uur laat de zon zich zien. Even voor enen rijden we Varenne Saint Germain in. Een vrouw maakt een foto. ,Madame, est-ce que vous savez...' Ja, mevrouw weet wel een plekje. Ze heeft zelf een wei. Ja, ook een tuinslang, een heel lange, en vlakbij de kerk woont de hoefsmid, een reus.
Ik neem een bad in het riviertje dat langs het dorp stroomt en zet Rianne vervolgens in de shampoo. Ze geniet zichtbaar en rolt zich na het afspuiten met evenveel genoegen in het gras. Als ze is opgedroogd brengen we een bezoek aan de reus. Vakwerk, vindt hij. De ijzers zijn goed voor nog minstens tweehonderd kilometer. Maar, de merrie heeft rust nodig. Dat had ik zelf ook bedacht, vandaar dat we zo vroeg zijn gestopt. Ik zal er een dagje aan vastplakken. Morgen is er hier een 'pot au feu', een dorpsfestijn. Smikkelen en smullen. 

Mijn gastvrouw heeft een echtgenoot en een negenjarige dochter, Karen, met wie ik ga boodschappen in St. Yan. Onderweg naar huis stoppen we bij een wegcafé. Een limonade met een rietje voor Karen, een Ricard voor pa en mij, een alcoholisch anijsdrankje zoals Pastis. Thuis nemen we er nog een en daarna nog een. Ik ga Rianne brokken geven en keer terug voor het souper. Meneer is er niet meer. De voetbalclub, waarvan hij trainer is, had hem nodig. Om kwart over elf is hij er nog niet. Mijn oren toeteren inmiddels.
Simone heet ze. Geweldig ben ik. Intelligent, beleefd, spreek uitstekend Frans, weet van de ernst des levens. Toch ben ik eenvoudig, net als zij. Jammer dat de kinderen tegenwoordig zo slecht gehoorzamen. In Spanje is dat anders. Manlief is arbeider. Mooi huis hebben ze, vind ik ook niet? Ze hebben ook vier paarden gehad. Twee zijn er dood. Kanker. Had haar vader ook. Hij droomde van een huifkartocht. Un rêve. Helaas. Deskundigen hebben de wei onderzocht. Dat kostte een hoop geld. Ze hebben niets kunnen vinden. Nee, geen zorgen om Rianne. De twee andere paarden hebben ze verkocht. O ja, met mijn baard lijk ik op een priester. En de buren deugen niet...
Rianne staat aan de tuier. Ik heb een cadeautje voor haar: een stalhalster. Dat had mevrouw niet meer nodig. 

(2/9) Een paard dat niet werkt, stop je niet vol met krachtvoer. Een paar handjes en ik ga, nog vóór de koffie, de afrastering van de wei repareren. Tussen de wei en het riviertje waarin ik gisteren heb gebaad, gaapt een afgrond. Waar ik ook kom, ik controleer altijd de afrastering. Dus ook gisteren. Ik zie Rianne al met gebroken benen liggen aan de oever van dat riviertje. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast.
Zo, nu kan ik de tuier opbergen. Met koffie, Floppie en William Blake in de zon. Paardenpsychologie. Het boek is niet aan mij besteed. Waarom lees ik het eigenlijk? Op naar de 'pot au feu', de pot op het vuur! 

(3/9) Ik zit weer in het zonnetje. Nu op een stenen bank in het centrum van Marcigny. Rianne graast op een met platanen omgord grasveldje. Jongelui drentelen in mijn buurt, enkele stellen vragen. Zal ik ze over de 'pot au feu' vertellen?
Ik had gehoopt op een soort barbecue. Niet dus. Had ik tevoren in mijn woordenboek gekeken, dan had ik geweten dat een pot-au-feu een soepketel is. Vet dat die soep was! Brrr. Er werd gedanst, gewalst. En ik gaf de bekende antwoorden of de bekende vragen. Mijn gastvrouw Simone stelde mij voor aan monsieur le maire, de burgemeester, een knappe boer van tegen de veertig. Ze is weg van hem. Voor mijn geest verschijnt het beeld van haar echtgenoot, lui uitgestrekt voor de tv die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat aanstaat. Hij drink bier met een scheutje sirop de menthe. Simone dartelt om hem heen in een te strakke broek. 'Geef nog maar een biertje', zegt hij. 
Nieuwe brok voor Rianne, bedenk ik bij mijn vertrek. De Boerenbond in St. Yan was gesloten, in Marcigny niet. Vijftig kilo voor honderddertien franc. De brokkenbak in de bank van de kar is te klein. Waarom hebben ze hier geen zakken van vijfentwintig kilo zoals in Nederland?

(5/9) 07.50 uur. Een tweede kop koffie. Gisteren rond deze tijd dronk ik koffie bij een vriendelijke boer in Briennon. Rose, zijn vrouw, kon de poep van Rianne goed gebruiken voor haar rozen. 
Route: Roanne, St. Etienne. Route nationale, onvoorstelbaar druk. Bij Pont Mordon de binnenlanden in. Een lange klim naar St. Priest la Roche. Het zonnetje laat ons in de steek. Wat gaat het weer doen? Ik vraag het aan een oude man. Hij weet het niet, zal ernaar informeren. Waar blijft-ie? Aha, daar is-ie. Enthousiast vertelt hij dat we drie tot vier dagen regen en onweer voor de boeg hebben. Zijn geestdrift geldt niet het voorspelde weer, maar het feit dat hij mijn vraag binnen het uur heeft kunnen beantwoorden. Hij wijst me de weg naar Montbrison: St. Paul de Vezelin, Pommiers, St. Etienne le Molard. 

1300 uur. Pommiers. Het hoefijzer links achter kleppert. Gebroken. En nu een hoefsmid zien te vinden. Er woont er een in Pommiers, weet een voorbijganger. Maar, die ligt in het ziekenhuis. In St. Germain Laval aan de weg naar St. Martin la Sauveté, zit er ook een. Een constructiebedrijfje.
De baas is er niet, over een uurtje misschien. Aardige man. Hij zal dit varkentje wel even wassen. Z'n collega heeft wel hoefijzers en hij zal er iets onder zetten om ze slijtvaster te maken. Hij haalt een voor- en achterijzer eronderuit en vertrekt. 

(6/9) 'Cédez le passage' staat onder een roodgerande driehoek. Ik geef altijd voorrang! Als er zich een file achter ons vormt, ga ik zodra zich een parkeerhaven aandient aan de kant. Een huifkar is leuk, maar niet als je gedwongen wordt met je auto erachter te blijven hangen. Bestuurders steken bij het passeren een hand op: Bedankt! 
Er is veel verkeer op de weg na de driehoek, in de buurt waarvan we nu een rustpauze houden. Ik werk mijn dagboek bij: 'Al met al heeft de hoefsmid gisteren tweeëneenhalf uur werk gehad. IJzers halen, passen en meten, ogen lassen van wolfraam aan de onderkant, warm beslag. Het laswerk heeft dezelfde functie als de widiastiften. 'Pour l'usure'. Ik ben benieuwd. De oude ijzers bewaar ik als aandenken. Kosten van het nieuwe beslag: 250 franc, zo'n zeventig gulden. Die man zal nooit rijk worden.' 

Op de lange weg naar Boën vertoont Rianne vermoeidheidsverschijnselen. Die zijn verdwenen op het moment dat we Boën binnenrijden. Het is druk, er is markt. Kwiek als een paradepaard loopt ze door het centrum. Ze houdt blijkbaar meer van druk stadsleven dan van de rust op het platteland. In dat opzicht verschillen we van elkaar.
'Tout au fond' zegt de beheerder van de camping in Montbrison. Een mooi plekje achterin. Volop gras en uit de buurt van de reguliere gasten. Die passeren in traag tempo als ik mijn potje kook. Ik doe alsof ik niets zie. Geen zin in gebabbel. De kou heeft mijn goede humeur verpest. Morgen betert het. Opklaringen in de middag, dertien tot negentien graden. Voor ons liggen de bergen van het Massif Central. Le Puy wenkt in de verte.  

(7/9) Op de weg van Montbrison naar Margerie Chantagret knijp ik hem als een ouwe dief. Het wegdek is glad als een ijsbaan. Door de warmte in de zomer is alle grint in het asfalt weggezakt; door de kou is het wegdek keihard. Rianne glibbert als een beginnende schaatser.
In Margerie rijden we over een wiebelend stuk wegdek, een weegbrug. Hoeveel zou mijn snoepie wegen, hoeveel de kar? Ik heb geen zin om Rianne uit te spannen en laat haar wegen met tuig en burrie. Vijfhonderdvijfenzestig kilo, de kar achthonderd. 'Pas possible!' roep ik ongelovig uit. Gelach van de omstanders. 'Elle est costaud, hein!'. Een flinke meid, ja. Hou het, ruim genomen, op vijfendertig kilo voor tuig en burrie, dan zou Rianne vijfhonderddertig kilo wegen. Een fjord van haar maat weegt doorgaans zestig kilo minder. 

In St. Jean Soleymieux vraag ik aan een voorbijganger de weg. Hij geeft me een hand. Mazodier is de naam, en de weg voert naar zijn huis. Het eten is goed, de wijn beter, de Calvados best.
Bij het open haardvuur stippelt mijn gastheer een route voor mij uit en babbelen we over paarden. Hij heeft/had zelf twee scharminkels en een Shetlander. Niet vet te krijgen, zegt hij.
Samen brengen we een bezoek aan Robert, een vriend van hem met een ranch. Vier paardjes uit de Camargue en een Haflinger met veulen. De Haflinger trekt een calèche, een licht rijtuigje. Een rit van een uur kost honderd franc per persoon. Tegen de verwachting in loopt de business als een trein. Vooral kinderen en bejaarden zijn verrukt van een tochtje in de calèche. 
Van het bezoek aan de Mazodiers houd ik een lichte hoofdpijn over van de Calvados en een fraaie hoofdband met 'sliertjes' in de kleuren van de Franse vlag voor Rianne. Tegen de vliegen. 

(8/9) Tot aan de grote weg naar St. Bonnet le Château is het weer glijden. Op zoek naar enigszins ruwe plekken op het asfalt rijden we kriskras over de weg. Rianne begint het te leren. 'Voorzichtig meisje!' doet haar haar voeten neerzetten alsof ze op eieren loopt.

Op een rustplek even buiten St. Bonnet le Château concurreert de rook van mijn sigaar met de walmen die Rianne vanachter haar staart de wereld instuurt. Het doet me denken aan het verhaal van een aan roken verslaafde vader die, in de geest van de moderne tijd, tijdens een lange autorit aan zijn zoon vroeg of hij er bezwaar tegen had dat hij een sigaret opstak. 'Vind je het goed dat ik een wind laat', antwoordde de zoon koeltjes.
Rookvrij, alcoholvrij en vegetariër was de knul. Niet roken leverde hem op zijn eenentwintigste het beloofde gouden horloge op. Pa moest diep in de beurs tasten. Sneu was dat hij zijn verstandige opvoeding moest bekopen met winden van de zoon telkens als hij zelf een sigaret opstak. Zo niet letterlijk, dan wel figuurlijk. 
Hier, midden in de natuur, duizend meter hoog, heeft niemand last van de rook. Behoudens ikzelf. Het hoest lekker weg, dat wel. Echter, vergeleken met de Franse sigaretten zijn die sigaren onschuldige rokertjes. Ik heb er een kist vol van. 'Met een sigaar in de hand is men welkom in boerenland', las ik ergens. Waarschijnlijk een heel oud boek. Of ik vergeet ze aan te bieden, of de boeren die mij gastvrijheid verlenen zijn niet-rokers. Vegetariër zou ik wel willen zijn. Mijn huifkar heeft geen koelkast. Alcoholvrij hoeft niet. Dagelijks twee pinten bier is goed voor hart en bloedvaten. Bovendien zit er vitamine B in. Zo stond althans in een gezaghebbend tijdschrift bij de tandarts. Maar ja, misschien had de schrijver van het artikel wel aandelen in een brouwerijconcern. Over de pintjes die ik gemiddeld wegslik, heb ik het eens gehad met de huisarts. 'Je moet minder roken', zei hij. 

Er passeert een wandelaar. Ik wenk hem en bied hem een sigaar aan. Ook al een niet-roker; wel een prater. Hij adviseert niet de doorgaande weg naar Estivareilles en Usson Forez te nemen, maar een secundaire route via Merle, Apinae en St. Pal de Chalençon. 'Mooie route, beter wegdek.' Het eerste klopt, het tweede niet. Om vijf uur even grazen aan de wegkant, om zes uur een camping in St. Pal, bovenin het dorp naast het kerkhof. Mijn 'caravan' mag op een van de caravanplaatsen. Keurig plekje, keurig afgezet met coniferen. Bij elk perceeltje is een dubbele kraan. Waarom twee? 
Rianne graast langs de toegangsweg. Opgeschoten jongens komen met brommers het terrein op. 'Les gars les plus curieux du village?' roep ik. Ze lachen bevestigend. Of ze nieuwsgierig zijn! Ze zien toe hoe ik kokkerel en de kou verdrijf met een stevig glas Ricard. Even na hun vertrek komt de vrijmoedigste samen met een kameraad terug met mijn dessert: drie gebakjes, blijkbaar bedoeld om samen op te smikkelen. Leuk, jongens, maar ik moet eerst eten. Daar wachten ze niet op. Broembroem, weg zijn ze. Warme hap, een flinke slok wijn, koffie en gebak. Ik voel me weer mens worden. Om negen uur lig ik in mijn slaapzak met Floppie aan het voeteneinde. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen haar in deze kou onder de kar te laten liggen.

 

 

Rawhide