Per huifkar naar Zuid-Frankrijk
 

Verander de achtergrondkleur  

Strak
gebroekt,
rood
gelaarsd...

 

een wasje doen


 

 

 

Wat is het leven mooi



Wat is geluk?



Gefriemel, gefrutsel,
'je t'aime'



Vive la France

Een mooie meid op
een fiets...

Nieuw woord: 'les crottins...'



A cause de l'hygiène...



Dochter van  Eva...



Keurig in het pak,
met stropdas...



Strak gebroekt,
rood  gelaarsd

Bien passé vos
vacances?

 

 

 

home


W
e bivakkeren op een groenstrook bij een bruggetje te midden van uitgestrekte weidegronden. Heerlijk, die zee van ruimte. Dat was gisteren anders, in St. Denis les Bourg. 
Paul Alexandre heeft er een boerderij met mooie stallen voor het vee. Hij is wantrouwend. Hij wil mijn paspoort tot ik vertrek. 'Vervelende ervaringen?' vraag ik. Nee, dat heeft hij van zijn vader geleerd. Paspoort en lucifers inleveren. Ik geef hem mijn ANWB-kampeerkaart.
Of ik een vrouw heb? 'Die past thuis op de kinderen', zeg ik lachend en vraag hem of hij getrouwd is. Op dat moment verschijnen de boerin en twee dochters. Er is nog een derde dochter, Denise, die even later strak gebroekt en rood gelaarsd haar opwachting komt maken. Ze tutoyeert meteen, drinkt Pastis mee, levert kritiek op het slechte Engels van de Hollanders die ze heeft ontmoet en vertelt op vakantie te zijn geweest in Frans Guyana. Een rijpe vrucht, die er naar verlangt geplukt te worden. Maar niet door een passerende bohémien zullen de ouders hebben gedacht. Eerst komt moe, daarna pa vragen wat ze bij me doet. Bij de komst van pa maakt ze zich uit de voeten.
De volgende ochtend blijkt dat ze zes kinderen hebben. Vier meiden van wie een getrouwd. De stugheid is verdwenen. We drinken samen koffie en pa trakteert op zelf gebrouwen 'eau de vie'. Of ik hem wil schrijven als ik thuiskom. Hij is benieuwd naar de afloop van mijn reis. Rianne heeft de nacht doorgebracht in een stal. Goed hooi. 
Met behulp van de gendarme vinden we vandaag een plek bij Louhans. We moeten onder een viaduct door waar twintig tot dertig centimeter water staat. Rianne aarzelt even, dan sjokt ze er gemoedelijk doorheen.
Het hoefijzer links achter is dun aan het worden op de plaats waar een widiastiftje is uitgevallen. Volgens een inwoner van Louhans woont in Juif, niet ver buiten mijn route naar Seurre, een manegehouder, tevens burgemeester. Misschien kan hij helpen.

(8/10) Meneer de burgemeester/manegehouder is er niet vandaag, maar Dominique, zijn vrouw, weet van wanten. Ze belt de maréchal ferrant, de hoefsmid, een jonge gast die met zijn ziekenfondsbrilletje voor student kan door gaan. Hij verstaat zijn vak en kent de widiastiften. 'Crampons' noemt hij ze en ik krijg acht stuks als reserve. Drie franc per stuk, inclusief het vervangen van het ijzer honderd franc.
Een paard hoest. Er heerst griep. Niet alleen hier, in Juif, in het hele land. Rianne staat alleen in een wei. Ze is ingeënt tegen influenza, maar je weet maar nooit.
De manege telt dertig paarden en twaalf koeien. De paarden werken niet meer dan drie uur per dag en krijgen dagelijks drie tot vier kilo brok, geen hooi, wel stro. Zo'n tien kilo per paard. Tweemaal in de week bestaat het avondmenu uit louter wortelen. 'Dat maakt schoon.'
De paarden zien er goed uit. Ik zie en hoor hoe Dominique dochter Manou en stagiaire Pierre lesgeeft. Een goede instructrice, haar ontgaat niets. Randonnées, buitenritten, maakt ze ook. Tochten van veertien dagen, dertig kilometer per dag en overnachten in tenten. Dominique is in meer dingen goed. In koken bij voorbeeld, ik mag het ervaren. Echtgenoot Paul arriveert de volgende ochtend. Hij stort twee emmers brok in de brokkenbak van de huifkar. Gratis, net als de overnachting. 'Ça va sans dire!', dat spreekt vanzelf.

(9/10) Departement Bresse. Prachtige huizen, boerenhoeven. Mensen groeten mij als ben ik een oude bekende. De weg van Simard naar Mervans en St. Bonnet en Bresse is verlaten. Ik zie alleen oude mensen.
In St. Bonnet zeg ik tegen een vrouw: 'Het lijkt wel of er een atoombom is gevallen met slechts enkele overlevenden.' Ze glimlacht. 'Vroeger waren er hier zes scholen, nu nog zes leerlingen. Maar dat is in heel Frankrijk zo. De jonge mensen trekken naar de stad. Van hier uit naar Chalôns.'

In een dorpje, dat door het ontbreken van plaatsnaamborden naamloos blijft, geeft een inwoner toestemming op een wei van de gemeente te overnachten. De garde champêtre, zo blijkt, de veldwachter. Hij zegt dat hij eigenlijk de burgemeester had moeten bellen, maar dat diens telefoon stuk is. Nood breekt wet. En ik overtreed het gebod van de veldwachter Rianne vast te zetten aan de tuier. De afrastering is in orde, dus waarom zou ik? Omdat, zei de veldwachter, dorpsbewoners er morgen hun koeien gratis mogen weiden. Ik zie het verband niet. Mocht ik commentaar krijgen dan schiet mijn kennis van de Franse taal tekort.
Rianne loopt mee bij de controle van de afrastering. Als ze wat achter blijft, daag ik haar uit door te gaan rennen. Bokkend galoppeert ze achter mij aan en stiert als een stormram op de huifkar af. De kluiten vliegen om mijn oren als ze afremt. Twaalf is ze, in haar dertiende levensjaar. Oud, meende ik toen ik haar kocht. Ze is in de bloei van haar leven.
Voordat ik de flap boven de achterklep dichtrits, werp ik een blik in de donkere wei. Geen Rianne. Twee seconden later steekt ze haar grote hoofd om de hoek. Zo van: 'Me voici!', hier ben ik! Ook haar Frans is er stukken op vooruitgegaan...

(10/10) In Aubigny en Plaine biedt een vrouw een prachtige stal aan voor Rianne. Michèle, echtgenote van de burgemeester. Ze is van mijn leeftijd. Een intellectueel, studeerde filosofie aan de Sorbonne in Parijs. Een auto-ongeluk vernielde haar rug. Ze geeft me het adres van een klooster waar ze zichzelf, haar geluk, terugvond. Abbaye de Citeaux, zes kilometer van hier. Als ik de tijd heb, moet ik er morgen beslist op bezoek gaan. Ze geeft me een boek: Le Prophète, van Khalil Gibran. Stichtelijke lectuur.

(11/10) De weg naar de abdij is lang, saai en nat. Mij overvalt een gevoel van eenzaamheid. In de kloosterkerk prevelen monniken in witgele habijten, meest oude mannen. Ik weet niet hoe gauw ik er weg moet komen.
Wie met veel tegenzin op kostschool heeft gezeten bij broeders snapt dat volkomen. God leeft niet in kerken, maar buiten in de velden, de bossen, de vrije natuur. Als ter bevestiging breekt de zon door, een hartverwarmende zon. Opgewekt vervolg ik mijn tocht.

(12/10) Groot is hij niet, maar groot genoeg om een huifkar met paard te herbergen. De tuin van George Hacquemand in Magny sur Tille staat tot mijn beschikking. George moet weg, heeft zelfs geen tijd voor een aperitief. Maar zijn twee zoons van dertien en zestien zullen de honneurs waarnemen. En dat doen ze, met inzet van heel hun persoon. Hulde!

(13/10) In Sacquenay is een wasplaats, vlakbij de kerk. Ook hier is het gemak van de wasmachine doorgedrongen. Ik doe het nog op de ouderwetse manier.

De bomen tooien zich met herfstkledij, de boeren ploegen en eggen. Op de weg stoppen ze voor ons, zodat Rianne niet zal schrikken van het gerammel van de machines. 
Op de wegen langs de Sâone is helemaal geen verkeer. De teugels liggen in een lus op Riannes rug. Ik ren vooruit en maak een foto. Rianne sjokt onverstoorbaar voort.

(14/10) Wat ben ik toch een opgewekt mens. Ik zing en fluit de hele dag. 

(15/10) Zijn dochter zal wel op Rianne en de huifkar passen. De klanten kunnen wel even wachten. Als ik zo vriendelijk wil zijn mee te rijden in zijn auto, zal hij me de twee overnachtingsmogelijkheden laten zien. Op de terugweg zie ik zelf nog een derde, onder de bomen, dichtbij het dorpscentrum. 'Wat dacht u?' Hij zal het even vragen aan de secretaris op het gemeentehuis. Ja, akkoord.
De autoriteiten van Le Puy kunnen een voorbeeld aan hem nemen: de loco-burgemeester van Rolampont, apotheker van beroep. Zijn vrouw vertelt me dat het dorp een week geleden werd aangedaan door een Belgische vrouw. Ze was met paard en hond op weg naar Santiago de Compostella, de bekende bedevaartsplaats in Spanje. Ze logeerde steeds bij boeren. Jammer dat ze weg is, met haar had ik graag ervaringen uitgewisseld.
Voordat ik naar mijn plek rijd, vraag ik een meisje, dat het dochtertje van de bakker blijkt te zijn, biscottes voor mij te halen. In een ommezien is ze terug. 'C'est combien?', hoeveel kost dat? 'Zero!', noppes! Nu nog een pak oude kranten om de door de reten van de vloer optrekkende kou te weren. Een jonge bezoekster rent naar huis om ze te halen. Wie durft te beweren dat Fransen ongastvrij zijn?!

(16/10) Trippeltrappeltrippeltrap, wie doet me wat? Rond middernacht warm ik mij aan het open haardvuur in de kantine van de manege van Jean Sourisseau in Choignes. 

(17/10) Een eenpanstip: Kook de piepers halfgaar, giet ze af, mik er olie bij en bak ze met ui en tomaat. Voeg er een blik uitgelekte groente aan toe en laat het gerecht op laag vuur doorwarmen met het deksel omgekeerd erop. Daarin legge men de vochtige sokken tot ze droog, in elk geval warm zijn. 

(18/10) De drukke wegen maken me depri. Nu een vrachtwagen, paard, hond en kar erin en in één ruk door naar huis. Eenmaal de grote weg af ben ik dat gevoel kwijt.
Aan de bosrand bij de kapel van Notre Dame du Val krijg ik om half acht 's ochtends bezoek van de veldwachter van Vignory. Hij is pijnlijk getroffen mij hier aan te treffen. In Vignory was toch ook plaats geweest!
Ik had hem onderweg gevraagd of hij een camping wist. Nee, die was er niet. Maar dat betekende niet dat er in Vignory geen plek voor mij zou zijn geweest! Hij dacht dat ik per se een camping wilde. Een misverstand. Excuus, meneer de veldwachter.
Voor ik vertrek wil ik een kaars opsteken in de kapel. Gesloten. De stoelen zijn opgeklapt, het tabernakel is kaal. Hier heeft een devote pelgrim niets meer te zoeken.

In Bouzancourt maak ik een praatje met een jonge boer. Hij, dat wil zeggen zijn vrouw, heeft een dag of wat geleden op de radio over mij gehoord. 'Un journalist Hollandais qui remonte en Hollande á coté de son cheval', een Hollandse journalist die naast zijn paard lopend teruggaat naar Holland. Dat kan ik niet zijn. Eerstens ben ik geen Hollander en mijn weg voert niet naar Holland maar naar 'le Brabant'. 
Hoewel ik bepaald geen chauvinist ben, ligt het toch gevoelig. Je noemt een Fries toch ook geen Zeeuw of een Limburger een Drent.

'Néerlandais' zeg ik als naar mijn nationaliteit wordt gevraagd. 'Ah, Irlandais!', Iers, is steevast de reactie. 'Non, Néerlandais! La Néerlande, les Pays Bas', voeg ik er dan ter verduidelijking aan toe. Is mijn uitspraak van het Frans zo beroerd? Zo dat al het geval is, de belangrijkste reden is dat de doorsnee Fransman het woord Néerlande blijkbaar niet kent. Het heeft, weten de deskundigen, te maken met de dominante rol die Holland in de historie heeft gespeeld. Holland is een 'pars pro toto' voor Nederland, een stijlfiguur waarin de bedoelde zaak door het noemen van een deel ervan wordt aangeduid. Vergelijk: Engeland, een deel van Groot-Brittannië. Wat zouden de Schotten daarvan vinden?
In de streek waar mijn wieg stond, wordt (of is het inmiddels werd?) het woord Hollander met een mengeling van vrees, achting en minachting uitgesproken. Ook dat is vanuit de historie verklaarbaar. De bazen in de kolenmijnen spraken met een harde g. Die heb ik mijzelf ook een tijdlang aangemeten. Dat vond ik als puber wel interessant. Een jongeman moet zich onderscheiden, niet soms? De kont tegen de krib zetten door louter dialect te spreken was niet mogelijk. Ik had het nooit geleerd. Mijn ouders evenmin omdat hun ouders uit het noorden en oosten kwamen en het algemeen beschaafd Nederlands, of wat daarvoor moet doorgaan, de voertaal was.

'Meneer komt uit de voormalige generaliteitslanden', zei een Hollandse collega spottend toen ik een werkplek vond in het stadje A. aan het IJ. Verder was het best een aardige knul. Een beetje hoog in de bol, dat wel. Maar dat kom je ook bij niet-Hollanders tegen. Voor zijn eigenwaarde (lees: meerwaarde) greep de collega terug naar een periode in de geschiedenis waarin delen van Vlaanderen, Brabant en Limburg, die de Staatsen op de Spanjaarden hadden veroverd, werden bestuurd door de Staten Generaal, de vergadering van de zeven noordelijke gewesten in Den Haag. De inwoners van de eens zo machtige vorstendommen hadden niets meer in de bestuurlijke melk te brokkelen. Vrede van Münster, 1648.

'Nederlandse Belg' ben ik ook al genoemd. Klinkt best aardig, vind ik. Jammer dat ik geen Vlaams spreek. Mooie taal, zit muziek in. Bakermat van het Nederlands heb ik iemand eens horen beweren. Zo heeft iedereen wel iets om zijn ijdelheid te strelen. Neem paardenmensen. 'Mijn paard is een afstammeling van...' Vervolgens word je geacht met bewondering te reageren. 'Jammer dat het geen fjord is', heb ik wel eens gezegd. Het werd mij niet in dank afgenomen.
Over mijn eigen ijdelheid zal ik het maar niet hebben. Alhoewel. Mijn zoon vindt dat ik er twintig jaar jonger uitzie dan ik in werkelijkheid ben. Maar dat heeft niets met ijdelheid te maken, dat is gewoon zo. Hoewel ik toch al aardig wat kruisjes achter mijn naam heb staan (hoeveel?) heb ik nauwelijks rimpels. De spiegel bevestigt dat, vooropgesteld dat het licht niet te fel is en van achter komt...

Was ik maar schrijver of dichter. Dan zou ik in woorden kunnen schilderen hoe mooi het zonbeschenen herfstlandschap in de Vallée de la Blaise is. Roestbruin, rood, geel, vele kleuren groen. Prachtig! Althans voor wie van de herfst houdt. Dokter zou ik ook wel willen zijn. Dan wist ik misschien waar die nu al dagen zeurende pijn onder mijn rechter schouderblad vandaan komt.

Op een zeer smalle weg tussen Doulevant le Château en Sommevoire maakt een tractor plaats voor ons. 'Un tel attelage est rare', zo'n aanspanning zie je niet veel, zegt Gaston Cartier. Ja, dat is zo. Of ik misschien een plek voor de nacht zoek? Ja, dat klopt. Het is half zes. Nou, dat is dan geregeld. Daar en daar moet ik zijn. Een eind verderop kom ik een man met een baard tegen. Of ik...? Nee, ik ben al uitgenodigd door die meneer op de tractor. Dat blijkt zijn vader te zijn bij wie ik kan eten en een bed krijgen. Ik geef de voorkeur aan mijn eigen bed in de huifkar, dichtbij Rianne.

 

 

Rawhide