Per huifkar naar Zuid-Frankrijk
 

Verander de achtergrondkleur  

 


Vive 
la France !

 
 

Rianne eet brokjes uit een emmer

 

 

 

Wat is het leven mooi



Wat is geluk?



Gefriemel, gefrutsel,
'je t'aime'



Vive la France

Een mooie meid op
een fiets...

Nieuw woord: 'les crottins...'



A cause de l'hygiène...



Dochter van  Eva...



Keurig in het pak,
met stropdas...



Strak gebroekt,
rood  gelaarsd

Bien passé vos
vacances?

 

 

 

home


H
et is twaalf uur als ik koers zet naar Sedan. De route die de Brusselse oorlogsveteraan in Sugny voor me heeft uitgestippeld leidt langs een onbemande douanepost. Het verveloze gebouw wordt zo te zien al jaren niet meer gebruikt. Vive La France! 
De douane is niet van lotje getikt. Op de weg naar Floing houden 'vliegende brigades' auto's aan. Controle! Voor mij hebben de heren geen enkele belangstelling. Dat komt mij, met mijn verlopen grenspapieren voor Rianne, zeer goed uit. Tijdens een rustpauze op het voetbalveld in Floing trek ik een korte broek aan. 't Is heet vandaag. Een vrouw komt een praatje maken en biedt me water aan voor Rianne. Dank u mevrouw, niet nodig, ik heb nog veertig liter.

Christine heet ze. Achteneenhalf, een bijdehandje. Ze heeft twee broertjes van rond een jaar of twaalf. Die wonen, net als zij, in Chéhérie, bij haar moeder. 
Ze komt me opzoeken als ik me installeer in een weitje vlakbij het gehucht. Even later verschijnen mama en broertjes. Vervolgens de jongeman die mij naar de overnachtingsplek heeft toegebracht. Hij komt met een fles wijn in gezelschap van zijn vriendin en twee heel jonge meisjes. Ze gaan met zijn allen in de huifkar zitten en kijken toe hoe ik mijn warme hap bereid. Prei, uien, aardappels, tomaten, twee eieren. Daarna is er koffie, ook voor de volwassen gasten. De kinderen krijgen chocolade. Twee van hen gaan water halen en doen mijn afwasje.
Er komt nog meer bezoek. Helaas, de huifkar zit vol. Tegen elven komt een boze moeder twee jonge meiden ophalen. Tegen half twaalf is het ook de allerhoogste tijd voor het jonge grut in de huifkar. Ik wandel mee. Nog een kop koffie bij een van hen en ook de volwassenen zoeken hun bed op.
Voordat ik mijn ogen sluit, schrijf ik in mijn dagboek: 'Rianne had het moeilijk vandaag. Te heet. Ik heb haar benen gewassen in een riviertje. Ze trappelde van plezier. In Sedan parkeerde ik Rianne en kar tussen de auto's op een plein bij een bank. Geld nodig, Franse francs. Een behulpzame voorbijganger ging bij Rianne staan tot ik terugkwam. Bij Chéhérie liep Rianne op haar laatste benen. Ik moet vroeger vertrekken en haar in de middag meer rust gunnen.'

(18/8?) Is het vandaag de achttiende? Opeens twijfel ik aan de juistheid van de datum. Wanneer ben ik eigenlijk vertrokken? 1 augustus? Of was het 31 juli? In het laatste geval klopt de datering in mijn dagboek niet. Ach, wat doet het er ook toe. Ik heb het gevoel dat ik al maanden onderweg ben. In de vierde dimensie, tussen hemel en aarde, zijn tijd en ruimte relatieve begrippen. Misschien zit ik wel in die dimensie. Of droom ik en gaat dadelijk de wekker. Opstaan, auto in, interview, reportage. Wat staat er voor vandaag op de agenda?
Als het een droom is, droom ik nu dat ik in een huifkar zit. Dat het heet is en ik verkoeling zoek op een winderig plekje bij de achterklep. Dat Rianne er tweeëneenhalf uur op heeft zitten, we gisteren in Quatre Champs overnachtten, Rianne getuierd op veilige afstand van een veld vol afgevallen pruimen op een 'pâturain' waar ik door bemiddeling van een aardige mevrouw terecht kwam, ik bij het eerste hanengekraai opstond, de jerrycans vulde, om tien uur op pad ging, door Vouziers reed, waar ik veel bekijks had, richting Sainte Menehould...
Nee, ik droom niet. Ik droom nooit over vliegen. Als een zwarte deken bedekken ze de huif. Ik bries en schud mijn lijf net als Rianne. Alleen voor de platkezen, de dazen, haal ik nog uit. Ze steken venijnig. Ik zing en fluit onderweg. Ik voel me nu een echte trekker. 

Boodschappen doen valt nog steeds niet mee. Of er is een winkel en geen paal om Rianne aan vast te binden, of er is een paal en geen winkel. Geen reden tot klagen, mijn provisiekast blijft goed gevuld. Ik zal dus toch wel dromen. Nog even en ik word wakker in het Brabantse Oss.

18 augustus!
Monsieur l'instituteur, meneer de onderwijzer, in Ville sur Tourbe zegt het. Vandaag is het de achttiende. Wie durft daaraan te twijfelen? Ook al zou het toch de negentiende zijn, het blijft de achttiende. Want, net als in Nederland hebben in Frankrijk onderwijzers het altijd bij het rechte eind. Dat is maar goed ook. Het geeft houvast in een leven vol onzekerheden. 
Meneer de onderwijzer bewoont een mooi landhuis aan de ingang van het dorp. De grauwe onderwijzerswoning, die aan het schoolgebouw is aangebouwd, heeft hij verhuurd aan een oud-leerlinge. Een plek in zijn tuin voor kar en Rianne lijkt hem wel wat. Dan bedenkt hij zich. Achter de speelplaats van de school is een mooie plek. Een heel mooie plek met veel klaver. 

Er hoeft geen schoolbestuur aan te pas te komen om toestemming te geven. Meneer de onderwijzer en zijn vrouw, mevrouw de onderwijzeres, maken hier de dienst uit. Ze hebben elk een klas van negentien leerlingen. Vijfentwintig jaar geleden waren er dat in beide klassen nog dertig, maar door de toenemende mechanisatie in de landbouw kunnen de boeren met minder arbeiders toe, zijn er minder kinderen en dus minder leerlingen. Nog acht jaar en meneer de onderwijzer mag met pensioen. Dan is hij vijfenvijftig. Al zijn er dan helemaal geen kinderen meer, hem zal het niet deren.

Op de mooie plek bij de speelplaats staan we niet alleen. Er zijn kippen en konijnen in hokken. Meneer de onderwijzer teelt er verder aardappels, waarvan ik er dadelijk enkele ga eten, maïs, bieten en nog zo het een en ander. Als tegenprestatie mag ik morgen voor mijn vertrek de schoolkinderen een lesje geven in de kunst van het aanspannen.
Hoe zeg je het in het Frans? Monsieur l'instituteur helpt: mennen - prendre guide d'un cheval, diriger of guider; tuigen - harnacher; tuig - le harnais; burrie - les brancards; zwenghout - le palonnier; strengen - les traits; broek - le culeron; schoftje - la sellette; hoofdstel - la bride; bit - le mors; kinketting - la gourmette; manen - la crinière; neusgaten - les naseaux; schofthoogte - la hauteur du garrot. Ik schrijf alle woorden keurig op. Mij dunkt dat ik nu voldoende materiaal heb om bij de kinderen de indruk te wekken dat ik er alles vanaf weet. 
In mijn dagboek schrijf ik: 'Vandaag nauwelijks heuvels. Plusminus dertig kilometer gemaakt. Nooit zoveel graan gezien. Het heeft hier twee maanden niet geregend. Komende week: mooi weer. Maar... de Franse weerkundigen hebben niet met mijn komst gerekend. Het zal dus wel spoedig gaan regenen.'

(19/8) De zon schijnt. Toch begint de dag in Ville sur Tourbe regenachtig. Figuurlijk gezien. Somber is een beter woord. Ik peins over de gebeurtenissen met Pascal. Tussen de restanten van het ontbijt verschijnt als een fantoom het gezicht van haar zuster, zoals ik het zag op een levensgrote foto aan de wand in de huiskamer van haar moeder. Ze is niet meer. Een zwak hart. Negenentwintig werd ze. Ze zwierf door Europa en Afrika, verdiende de kost als prostitué, leefde samen met een man van achtenzeventig. Pascals moeder wiegt treurig met haar hoofd als ze over het meisje spreekt. Wat hield ze veel van haar! 
Ik kreeg het verhaal te horen nadat Pascal me haar paarden in de wei bij haar ouderlijk huis had laten zien en we bij moeders op de koffie gingen. Steunend en zuchtend vertelde de oude vrouw op klaagtoon de familiegeschiedenis. Treurnis van het begin tot het einde. Louter dieptepunten. Wat gaat het mij eigenlijk aan? Ik, een toevallige voorbijganger. Het is niet verwonderlijk dat Pascal zo'n negatieve kijk op het leven heeft. Zoals de ouden zongen, piepen de jongen. Er zijn twee manieren om naar een half gevulde fles te kijken. Je kunt je erover verheugen dat die nog halfvol is, of je kunt bedroefd aanstaren tegen een halflege. Misschien had ik zoiets moeten zeggen. Echter, zulke wijsheden vallen me doorgaans achteraf in. En dan nog, wie wil ze horen?

Opgewonden kinderstemmen verdrijven de sombere gedachten. ,Costaud' is Frans voor stevig, potig. De kinderen hadden het gelijk gezien: Rianne is nog steeds Hollands welvaren.
Wij leren het woord van meneer de onderwijzer tijdens 'mijn les' aan de schoolkinderen. Op hun vragen aan mij geeft hij antwoord. We leren veel van hem. Onder andere dat je een paard eerst moet laten drinken voor je het 'de l'avoine', haver, geeft. Anders spoelt de haver weg en krijgt het dier diarree.
Een plaatsje in zijn klas lijkt me wel wat. Ik ben ervan overtuigd dat ik nog heel wat bij hem kan opsteken. Bij mijn vertrek verrast hij mij met een kist gevuld met aardappels, uien, wortelen, zomerprei, groene kool, een knolletje knoflook en twee eieren. 'In deze streek kun je nergens groente kopen. Iedereen heeft zelf een tuin', zegt hij op verontschuldigende toon.
Hartelijkheid, gastvrijheid, hier op het platteland is het de gewoonste zaak van de wereld. Ik heb trouwens nog niet anders ontmoet. Gaat dat zo door?
3,8 km voor Givry en Argonne besluit ik een andere route te nemen. Niet via Saint Dizier maar via Vitry le François om de 'côtes', de hellingen, te mijden. Hoe vlakker het land, des te gemakkelijker voor Rianne. Bovendien omzeil ik Troyes en Dyon, door mijn koetsiersogen bekeken wereldsteden. 

Even stoppen aan de kant van de weg. Bezoek. Jean-Pierre Bouché‚ uit Fleury la Rivière. Hij heeft wijngaarden in de Champagne. Vierenveertig franc per fles. Hij heeft ook twee paardjes en een huifkar, net als de twee Polen die hij onlangs heeft ontmoet. Die maken een reis door Europa en Zuid-Amerika. Ze verkopen door henzelf gesigneerde briefkaarten met paard en huifkar. Zo verdienen ze de kost. 'Fleury la Rivière ligt vlakbij Epernay. Als je in de buurt komt...' 
Op mijn weg ontmoet ik vervolgens tot twee keer toe een vriendin in een Renault 4. Wat is de wereld toch klein. Helaas, ze is het niet, ze lijkt sprekend op haar. Ik zou graag een avond volkletsen in mijn eigen taal. 
In deze streek heet een wei geen prairie, pré, pâturage of pâturain maar pâture. De pâture waar Rianne nu in staat is niet mooi, wel voedzaam. Mijn maaltijd ook. Aardappels, veel groente en weer eens een keer eieren.(20/8) Tien briefkaarten met dezelfde tekst. 'J'aime les Français', ik hou van de Fransen. Nu nog een brievenbus zien te vinden. 
Mijn 'liefdesverklaring' zal menige Nederlander verbazen. 'Frankrijk is mooi, jammer dat er zoveel Fransen wonen', is een vaakgehoorde kreet. Met een vriendelijke glimlach, een mondvol Frans en respect voor de eigenheid van de mensen zijn Fransen allerhartelijkste mensen. Althans hier, op het platteland.

Er passeert een auto. Een jongeman zwaait, ik zwaai terug. Een paar minuten later is hij terug. Jean-Juc is de naam. Zijn zuster Claudy en haar man Christian zijn onderweg met een zelfgebouwde, geheel van hout gemaakte huifkar. Ze zijn in Holland geweest. Heb ik ze niet gezien? Nee? Terwijl Holland toch zo klein is. Dat klopt. Holland is klein, maar Nederland een stukje groter. Ik woon in Noord-Brabant, ook een provincie in Nederland, net als Noord-Holland, Zuid-Holland, enzovoorts. Jean-Juc begrijpt het niet helemaal. Hij biedt mij een filtersigaret aan, ik hem een sigaar. Hij is artisan, ambachtsman. Hij houdt van zijn werk. Ik zeg: een mens moet doen waarvan hij houdt. Hij is het volledig met mij eens. Jean-Juc houdt ook van een babbel. Hij kan niet wegkomen. Tot drie keer toe neemt hij afscheid en geeft me daarbij telkens een hand. 

Een kwartier later onderbreekt opnieuw een jongmens mijn rit. Jean-Yve. Zijn broer is dol op paarden. Hij heeft ook koetsen. Of ik niet bij hem langs wil gaan, dat zou hij prachtig vinden. Dat lijkt me geen goed idee. Ik wil nog minstens twee uur trekken. 'Dommage', jammer. Jean-Yve vertrekt en komt even later terug met een kist gevuld met courgettes, uien, aardappels, wortelen, groene kool en een mij onbekende, scherpsmakende bladgroente. Ik ben aangenaam verrast en bedank hem uitbundig. Zijn gezicht plooit zich in een brede glimlach. 'Bon voyage!' Ik kan onderhand een groentewinkel beginnen. 
In Vitry en Perthois stopt een jongeman op een fiets. Of ik misschien een 'parc' zoek? Een park? 'Parc' heeft meer betekenissen, in dit geval een afgesloten wei. Er staat een witte pony in, een ruin, eigendom van zijn zus. Na enig snuffelen en een 'jel' van Rianne sluiten de dieren vrede met elkaar. De buurvrouw wordt op de hoogte gesteld, zodat zij niet de politie zal bellen. Ze is al eens bestolen, begrijpt u?

(21/8) In Bussy aux Bois rusten we enkele uren uit in de tuin van een château, een kasteel.
Het château is een groot, oud, vervallen huis, de 'kasteelheer' een praatgrage man van onbestemde leeftijd. Ik bied hem in ruil voor zijn gastvrijheid twee dikke sigaren aan, die hij met veel genoegen achterelkaar wegpaft. Bij mijn vertrek geeft hij me drie eieren, ik geef hem de groene kool van Jean-Yve. 

Het is bloedheet vandaag. Een zichtbaar geërgerde man stapt hoofdschuddend uit zijn auto en zegt op bestraffende toon dat ik in zulk weer beter alleen 's morgens en 's avonds kan rijden. 'Dieren moet je niet laten lijden, zeker geen paarden!' Hij monstert Rianne en zegt dat ze er in elk geval goed verzorgd uitziet.
Over sociale controle gesproken... Ik kan de man niet helemaal ongelijk geven. Beter gezegd: hij heeft gelijk. Waar blijven de buien die mij zo trouw hebben vergezeld? 
We naderen Margerie Hancourt. Wie weet er een plekje voor mij? Daarvoor moet ik bij monsieur le maire zijn, meneer de burgemeester. Het wordt het voetbalveld met waterpomp direct naast de huifkar. Wat een luxe! Het dorp loopt uit om de gebeurtenis met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Kinderen blijven hangen. Tegen tienen vraag ik ze naar huis te gaan. Bedtijd, voor mij althans. Zonder protest voldoen ze aan mijn verzoek.

(22/8) Het is koud op de bok, de weg eindeloos lang en saai. Ik heb mijn neus vol van korenvelden, die nu in hoog tempo veranderen in stoppelvelden. De wegkanten zijn bedekt met geelbruine smurrie die lekt uit lompe, houten boerenkarren. De regen, die mij is vooruitgegaan, heeft de oogst met veertien dagen vertraagd. 
Auto's scheuren met hoge snelheid voorbij. Ik verruil de bok voor de benenwagen. De 'côtes' zijn niet echt steil maar zeer lang. Marsliedjes neuriënd houd ik de moed erin als we de heuvel naar Amance op- en afsjouwen. Aan twee jongens en een meisje, die aan de kant van de weg staan, vraag ik de weg naar de burgemeester. De oudste van de twee, rijkelijk versierd met tatoeages, geeft de jongste opdracht mij voor te gaan en sluit intussen zijn armen om het meisje. Drie door weer en wind geruwde boerenkoppen van middelbare leeftijd staan ons bij de ingang van het dorp op te wachten. Misschien weten zij een plek voor de nacht? Hoe vraag je zoiets in het Frans? Zo: 'Je cherche une place pour la nuit; est-ce que vous savez un endroit pour mon cheval et ma charette?' Een standaardzin, die ik uitspreek met mijn innemendste glimlach en een om hulp vragende blik. Het wordt een pâture met pruimenbomen. De gastheer vraagt of ik zin heb in een biertje. 

De huiskamer stinkt naar verschaald bier en rottende etensresten. Quel bordel! Luizen, vlooien? Het zou me niet verbazen. 'Faites comme chez vous', doe alsof je thuis bent. Een oude vrouw strompelt steunend op een kruk de kamer in. De man die mij heeft uitgenodigd is niet de boer, waarvoor ik hem hield, maar de knecht. Hij maakt onmiddellijk plaats voor 'la patronne'. Hij zat op háár stoel. Ik mag gaan zitten op een tweezitbankje. Ik schuif een bananenschil opzij. De knecht pakt hem op en mikt hem in een hoek van de kamer. Ik drink bier uit de fles, wat hier gelukkig de gewoonte is. Na twee flesjes vraag ik of ik even gebruik mag maken van de wc. 'Les clos sont partout', bromt de vrouw. Is er geen wc, of is die strikt voor privé-gebruik? Ik vraag het maar niet. 

De hemel staat vol sterren als ik mijn avondmaal, een prutje van tomaten, ui, courgette en eieren, met een stuk stokbrood naar binnen werk. Dan is het tijd voor mijn dagboek. Bij het licht van een kaars schrijf ik: 'In Brienne le Château kwam een jonge moeder met haar kind naar Rianne kijken. Lang donker haar, sproeten, spontaan. Haar broer woont in Largentière en bezit enkele hectaren land. Hij zal mijn bezoek bijzonder op prijs stellen. Ze schrijft het adres op en ondertekent met 'Martine. Monsieur est très sympa', meneer is heel sympathiek. Dat vind ik 'très sympa'.

 

 

Rawhide