Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 

 

Angelo
Verdino

 

 

 

 

...de vulkaan kwam tot uitbarsting...

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Op een dag zei de paardenman: ‘Je hebt nu lang genoeg in de manege geoefend, vandaag maken we een buitenrit. Jij op Komiek, ik op de fiets.’
Lieveke was blij verrast. Komiek niet minder. De pony draafde en galoppeerde alsof ze vleugels had gekregen. De paardenman had het minder naar de zin. Rul zand, fiets er maar eens in. ‘De volgende keer ga je maar alleen,’ mopperde hij. Niets liever dan dat, dacht Lieveke. Alleen met haar pony zwerven door bos en hei, wat kon er fijner zijn? Maar dat er nog veel te leren viel voordat ze dat zou mogen, ontdekte ze onderweg. Hoe voorkom je dat je met een knie of een voet achter een boom blijft haken en valt? De pony struikelt over stompen of wortels van bomen, kreupel wordt door op scherpe stenen te trappen, in glas, blik of andere zwerfvuil? Op de vlucht slaat doordat ze schrikt van iets onnozels zoals een opwaaiend stuk papier, een opvliegende vogel of een horzel die haar eitjes op haar vacht wil leggen? Hoe houd je de pony in toom als die de stal ruikt?

Halverwege de tocht hielden ze pauze bij een ven. De paardenman ging zitten op een bank rond een reusachtige eik. Lieveke zadelde Komiek af en kwam erbij zitten.
‘Appelflap?’ De paardenman viste een gebaksdoos uit zijn fietstas. Daar had ze wel zin in. ‘Enig idee hoe dit ven heet?’ vroeg hij even later.
Lieveke haalde haar schouders op.
‘Het Perenven.’
‘Waar de paradijsvogel u vertelde over Het Land van Immer?’
‘Dat heb je goed onthouden. Het is een historisch waardevolle plek waarin de grote eik, waar wij nu tegenaan zitten, een bijzondere plaats inneemt.’
Aan de uitdrukking op zijn gezicht wist Lieveke wat er komen ging. ‘Ik ben zéér nieuwsgierig!’ zei ze met een lachje.
De paardenman stak van wal.

 

Kaart koninkrijk Azen

 

 

LANG geleden bestond er in Het Land van de Latijnen, Romeinen en Osci een stadje waar de prachtigste gebouwen stonden en alle muren kunstig beschilderd waren. Het was gebouwd op het vruchtbare land aan de voet van een vulkaan. Op een dag gebeurde het onvermijdelijke: de vulkaan kwam tot uitbarsting. Het stadje werd bedolven onder een metershoge asregen. Bijna iedereen kwam om. Wie het overleefde, trok naar veiliger oorden.  
 Een aantal jongemannen greep de kans wat meer van de wereld te gaan zien. Onder hen Angelo Verdino, zoon van een beroemde, bij de ramp omgekomen kunstschilder. Ze sloten zich aan bij een troep Romeinen, die in opdracht van de keizer van Rome op veroveringstocht was gegaan.
Angelo en zijn kameraden waren bepaald geen doorgewinterde vechtersbazen, maar een mens moet toch wat doen om de kost te verdienen. Samen met de Romeinse soldaten maakten ze iedereen die niet veroverd wilde worden een kopje kleiner. Ze trokken van streek naar streek, steeds verder naar het noorden. Op zekere dag kwamen ze in Azen, toen nog een klein koninkrijk dat zich uitstrekte van Durninum tot Numaga, van Hertogstad tot Stapelen.
 
 

In die dagen werd Azen geregeerd door koning Bern de Wijze, een man van de vrede. Hij voerde geen leeuwen of adelaars in zijn wapen maar lelies en lisdodden, zich spiegelend in het water dat al eeuwenlang zijn stempel op het land had gedrukt. Toen hem de komst van de Romeinen werd gemeld, hoefde de koning niet lang na te denken over wat hem te doen stond. Naar de wapens grijpen was zinloos, daar was de overmacht te groot voor. Hij besloot precies het tegenovergestelde te doen en verwelkomde de legeraanvoerders hartelijk op zijn kasteel, waar koningin Hezelinde hen vergastte op een vorstelijke visschotel en een flinke slok Azens gerstenat.
‘Doet alsof gij thuis zijt,’ zei de koning. ‘Blijft hier en geniet van onze gastvrijheid.’
De legeraanvoerders waren blij verrast en besloten de uitnodiging aan te nemen - almaar trekken is geen pretje.
Echter, in Rome betekende thuis leven in luxe. In het koninkrijk Azen was alles sober, tot aan het kasteel van de koning toe. De kou in hun tenten en de modderpaden beu, gaven ze hun soldaten opdracht huizen te bouwen op de heide ten noorden van het kasteel en wegen aan te leggen.
De koning, die dit in zijn wijsheid had voorzien, wreef zich vergenoegd in de handen. Als bewijs van zijn gastvrijheid beval hij de bewoners van het dorpje aan de voet van zijn kasteel de hard werkende Romeinen van voedsel te voorzien.
Landbouwers waren het. Pap, brood en bier, meer hadden ze niet te bieden. Na enige tijd konden de Romeinen die slappe kost nauwelijks nog door hun keelgat krijgen. Vlees wilden ze hebben! Met een begerig oog keken ze naar de weinige koeien van de landbouwers. De dieren waren echter vel over been en zonder hun melk zou de pap wel erg schraal worden. Angelo kreeg opdracht het probleem op te lossen.

Die keuze was niet toevallig. Angelo en zijn kameraden stamden af van de Osci, een volk van boeren. Ze smeedden hun zwaarden om tot ploegijzers, hun speren tot snoeimessen en traden in het voetspoor van hun voorvaderen. Ze vulden hun buidels met zilveren sestertiën, slingerden zich in het zadel en stroopten heel Azen af op zoek naar jongvee.
Bij hun terugkomst kon de eerste vleeshonger worden gestild. Met de dieren die overbleven begonnen ze een fokkerij van runderen. Ze bemestten het land en verbouwden tarwe, bieten, maïs en al wat meer nodig was om de dieren goed in het vlees te krijgen. In plaats van hun eigen ruggen af te beulen, spanden ze gecastreerde stieren voor de ploeg. Ossen werden die genoemd, die na hun ontmanning mak waren als lammetjes. Zeg maar osjes. Gemeten vanaf het hoogste punt op de rug, waren ze in die tijd ongeveer een meter hoog en wogen rond de honderd kilo.
Angelo en zijn kameraden bleken niet alleen goede boeren te zijn, ze ontpopten zich ook als vakbekwame slagers. Keurslagers! Hammen en gezouten vleeswaren waren hun specialiteit.
De Romeinen waren zeer tevreden. In plaats van oorlog te voeren, lagen ze dag in dag uit aan tafel en aten zich ongans aan de heerlijkste gerechten. Zo gastvrij als ze ontvangen waren, zo gastvrij toonden ze zich nu naar de koning en zijn onderdanen - die goed doet, goed ontmoet. Andermaal wreef de koning zich vergenoegd in de handen.

Op een dag was de keizer van Rome het luie leventje van zijn soldaten beu en beval ze verder te trekken. De wil van de keizer is wet, dus vertrokken ze. Angelo en zijn kameraden, die als vechtersbazen toch niet veel waard waren, kregen toestemming hier te blijven. Ze trokken in de vrijgekomen huizen en bouwden er stallen bij voor het vee. Osci heette de plaats voortaan, nederzetting van de Osci. Zoals dikwijls met vreemde woorden gebeurt, werd de naam na verloop van tijd vertaald. Osci werd Osken, een naam met een dubbele betekenis: osken is ook Zuid-Azens voor kleine ossen.

 

...bloemen, zo mooi en levensecht...


Angelo had zijn best gedaan zich aan het boerenleven aan te passen. Maar net als bij zijn bij de vulkaanramp omgekomen vader ging zijn hart uit naar de kunst. Al zijn vrije tijd besteedde eraan. Hij schilderde bloemen, zo mooi en levensecht dat menigeen de neiging kreeg ze water te geven. Prinses Amalia, dochter van koning Bern en koningin Hezelinde, was er verrukt van. Niet alleen van de schilderijen, ook van Angelo, een knappe jongeman met zwarte krullen en warme, bruine ogen. Als het aan haar had gelegen was ze meteen met hem getrouwd, maar dat vond de koningin niet goed. ‘Gelijk bij gelijk,’ zei die. ‘Je moet trouwen met een man van koninklijken bloede.’

Op de dag dat Amalia achttien werd, gaf de koningin een groot feest. Alle trouwlustige jongemannen met blauw bloed waren uitgenodigd.
Voor dag en dauw stond de eerste vrijer al op de stoep: Merlijn Vilein, prins uit het oostelijk van Azen gelegen Barbarus. Ook een kunstenaar. Niet in de schone maar in de zwarte kunst. Een duivelse tovenaar die door de Romeinen uit de krochten van zijn kasteel was verjaagd en die naar Azen was gevlucht waar ze intussen waren vertrokken. Een meedogenloze roofridder die zich op zijn strooptochten veranderde in een zwarte wolf en overal verdriet en ongeluk zaaide.
‘Jou moet ik niet!’ zei prinses Amalia en keerde hem minachtend de rug toe.
Merlijns ogen spuwden vuur. ‘Pas als wij één vlees en bloed worden zal jouw schoonheid terugkeren,’ gromde hij, sprong op zijn zwarte paard en vertrok in gestrekte galop.

Amalia, een prachtig mooi meisje met een huid zacht en blank als een lelie en ogen stralend als de zon, werd op slag lelijk als de nacht. Alle prinsen die op die dag nog kwamen, waren snel weer vertrokken.
De koning liet afkondigen dat wie de prinses uit haar vreselijke betovering kon bevrijden met haar mocht trouwen.
‘Kunstliefde vermag alles,’ zei Angelo, ging naar de koning en vroeg om een wapen. De koning gaf hem een door de Romeinen achtergelaten ijzeren zwaard en zei: ‘Geprezen zij je dapperheid jongeman, maar ik vrees dat je niet tegen die snoodaard bent opgewassen.’
Angelo was dapper, maar niet dom. Hij was niet van plan Merlijn uit te dagen. Hem was ter ore gekomen dat de booswicht een ijdele man was, die zich spiegelde in elke waterplas die hij op zijn rooftochten tegenkwam. ‘Geduld is een schone zaak,’ zei hij tegen zichzelf, pakte zwaard en schilderspullen in en ging naar het Perenven, in die tijd de koninklijke visvijver waarvan het heldere water blonk als een zilveren spiegel, omlijst door lisdodden en lelies. Hij verborg het zwaard in een holle boom, klapte zijn veldezel uit en begon te schilderen. Lelies, de lievelingsbloemen van prinses Amalia. Dat deed hij voortaan dagelijks.

Op een dag werd hij opgeschrikt door luid gekraak. Tussen de bomen verscheen een zwarte wolf, groot en fors als een leeuw met tanden scherp als messen. Hij zou korte metten hebben gemaakt met Angelo als zijn oog niet was gevallen op het schilderij. ‘Schitterend!’ riep de wolf vol bewondering uit. ‘Maak een portret van mij, net zo mooi en levensecht, dan spaar ik je leven.’
‘Dat is goed,’ zei Angelo. ‘Ik kom morgen terug met een nieuw doek en een kruik zwarte verf.’
‘Als je niet komt, weet ik je wel te vinden,’ gromde de wolf.
'Geen zorg,’ zei Angelo. ‘Een man een man, een woord een woord.’
Bij dag en dauw keerde hij terug. De wolf stond al op hem te wachten. IJverig ging Angelo aan de slag. Na een tijdje werd de wolf ongeduldig en morde: ‘Vooruit, schiet op! Ik heb niet de hele dag de tijd!’
‘Kom maar eens kijken,’ zei Angelo.
Een prachtig schilderij, zwart als hoefteer en levensecht. Maar de wolf was niet tevreden. ‘Kijk eens naar mijn geweldige spieren,’ gromde hij. ‘Naar mijn machtige kaken en mijn prachtige, hagelwitte tanden. Zal ik je eens laten voelen hoe scherp die zijn? ‘
‘Ik kan alleen schilderen wat ik zie,’ zei Angelo kalm. ‘Dat u erbij staat als een slappe vaatdoek kan ik niet helpen. Zet uw prachtige, hagelwitte tanden maar eens ergens in. Toon mij de schoonheid van uw geweldige spierkracht, zodat ik die in mijn schildering kan vastleggen.’
De wolf kookte van woede. Verscheuren zou hij die brutale aardworm. Maar eerst het schilderij klaar, daarna kon hij zich wreken. Hij hief een angstaanjagend gehuil aan en wierp zich, alsof het een prooi was, op de grote eik. Als messen sneden zijn tanden door de bast en drongen zo diep in de stam door dat het hars eruit spoot. Muurvast zat hij. Voordat hij zich kon loswrikken, greep Angelo het zwaard uit de holle boom en stiet het met volle kracht tussen zijn ribben. Het lemmet ketste af tegen een knoest, krulde om en drong van voren terug in het stuiptrekkende lichaam, recht in het hart. Morsdood was het ondier.
Angelo slaakte een woeste overwinningskreet, haastte zich naar huis en keerde terug met tien sterke Osci en een platte kar getrokken door acht ossen. Met man en macht trokken ze de wolf los van de boom en tilden het dode lichaam op de kar. ‘Op naar de koning!’ riep Angelo triomfantelijk.

 

...op slag lelijk als de nacht...

‘Mooi gedaan!’ prees de koning. ‘Je hebt het land bevrijd van een schurk. Maar tot mijn grote spijt heeft dat niets veranderd aan de betreurenswaardige toestand waarin mijn lieftallige dochter zich bevindt. Breng het lijk weg en vernietig het.’
‘Nee, wacht!’ riep prinses Amalia die zich de woorden van Merlijn herinnerde: ‘Pas als wij één vlees en bloed worden zal jouw schoonheid terugkeren.’ Ze liet zich een stukje rauw vlees brengen, stak het in haar mond en slikte het door. Even later gaf ze een gil van ontzetting en viel voor dood op de grond. Terwijl ze daar zo lag, veranderde ze langzaam maar zeker terug in een prachtig mooi meisje met een huid zacht en blank als een lelie en ogen stralend als de zon. Toen ze die opsloeg gaf Angelo haar een kus en zei: ‘Opstaan liefste, de betovering is verbroken.’
‘Haal meteen een priester!’ beval de koning. ‘Nog vandaag zullen zij in het huwelijk treden.’
En zo geschiedde. Alle bewoners van het dorpje rond het kasteel en van de nederzetting Osken waren ervan getuige en werden door de koning als gasten op het bruiloftsfeest uitgenodigd.

Geplaatst voor het probleem iedereen feestelijk te onthalen, gaf koningin Hezelinde opdracht de wolf aan het spit te rijgen, te roosteren en als bruiloftsmaal op te dienen. Tot ieders verrassing bleek het vlees malser dan men van een taaie rakker als Merlijn Vilein zou verwachten. Nadat iedereen zich te goed had gedaan werd er gedanst, gehost, gezongen en tot slot was er een polonaise. Toen het tijd was om naar bed te gaan vroeg de koning om stilte en sprak: ‘Gaat heen en vermenigvuldigt u!’
Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. De nederzetting Osken groeide en bloeide. Ook Angelo en prinses Amalia lieten zich van hun beste kant zien. Hoeveel kinderen ze kregen is niet bekend, wel dat ze allemaal in het voetspoor van hun vader traden en zich ontwikkelden tot knappe kunstenaars.
Zo kon het gebeuren dat Osken uitgroeide tot het fraaiste, kunstzinnigste en kunstminnendste stadje van Azen, een parel aan de kroon van koning Bern. De koning, die dit alles in zijn wijsheid had voorzien, wreef zich andermaal vergenoegd in de handen.
Het leven is eindig, ook dat van de knapste kunstenaars. Toen een engel zich over Angelo’s ziel ontfermde, werd zijn stoffelijk overschot bijgezet in het Vorstengraf. Bij wijze van grafgift werd het ijzeren zwaard ernaast gelegd.


‘Een ijzeren zwaard,’ zei Lieveke peinzend. ‘De geschiedenisleraar heeft erover verteld. Een ijzeren zwaard met gouden handvat. Het is gevonden bij opgravingen en ligt nu in een museum. Maar de leraar zei dat oudheidkundigen weinig over de geschiedenis ervan weten.’
‘Geef jij er dan maar een spreekbeurt over,’ zei de paardenman. ‘Daar kan jouw leraar nog iets van leren. En de oudheidkundigen ook.’


Klik!

ijzeren zwaard met gouden handvat