Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur  

 

 

Prinses

Blommeke

 

 

 

...ze had nog maar enkele stappen in het Enge Bos gezet...

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Hoewel hij zelf niet meer voor Komiek hoefde te zorgen, was de paardenman bijna dagelijks in de stalhouderij te vinden. Hij kon, zei hij, het gezelschap van pony’s niet missen. Hij hield niet alleen van Komiek, hij hield van alle pony’s. Hij hield van hun geur, de trouwhartige blik in hun ogen, het geluid van geknabbel op hooi of stro.
Gewend altijd iets om handen te hebben, knapte hij allerlei klusjes op die in een stal met zoveel pony’s voor het oprapen liggen. Dikwijls was hij er nog als Lieveke, na school en in de weekends, Komiek kwam verzorgen en berijden. Ook haar gezelschap stelde hij op prijs. Ze was altijd opgewekt en droeg een warmte uit die de kilte van zijn oude botten verdreef. Leergierig was ze ook. ‘Ik wil alles van pony’s weten wat u weet,’ zei ze. Hij vertelde haar hoe je met pony’s moet omgaan, over ziekten en gebreken, stalondeugden, gevaarlijke planten in de wei en de noodzaak van goed onderhoud van zadel en hoofdstel. Ook gaf hij haar rijles, waarbij hij liet zien hoeveel meer bereikt kan worden met geduld en begrip dan met sporen of zweep. Bij slecht weer kon men het tweetal aantreffen op voor Komieks stal neergelegde strobalen, dikwijls neuzend in een stapeltje paardenboeken.

'Hou je van sprookjes?'vroeg de paardenman op een keer. Lieveke kreeg een kleur. Ze was dol op sprookjes, maar was dat niet een beetje gek? Sprookjes zijn vertelsels voor kleine kinderen.
‘Daar hoef jij je niet voor te schamen,’ zei de paardenman. ‘Hoe oud ik ook al ben, ik hou nog steeds van sprookjes. Elke avond voor het slapengaan lees ik er een. Zo las ik gisteravond het verhaal van prinses Blommeke. Een heel bijzonder, waargebeurd sprookje. Ken je dat?’
Lieveke keek hem guitig aan en zei: ‘Vertel maar eens.’
En de paardenman vertelde.

 

Proficiat opa!

 

 

ER was eens een meisje teer en fijn dat graag een prinses wilde zijn. Haar opa wist daar wel wat op. Hij gaf haar een kroontje van wit karton, van binnen en van buiten vol getekend met bloempjes. ‘Nu ben je mijn prinsesje,’ zei hij. Het meisje was er zo blij mee dat ze het altijd droeg. Daarom noemde iedereen haar prinses Blommeke, Zuid-Azens voor prinses Bloempje.
Nu gaat een echte prinses niet te voet. Maar wie kan er een paard of een pony betalen? Blommekes opa niet, haar vader evenmin. Toch kwam die er, en wel een heel bijzondere.

Op een dag zei haar vader: ‘Blommeke, morgen is opa jarig. Ik zou hem graag een grote kersenvlaai willen geven, maar daar heb ik het geld niet voor. Alimentatie, weetjewel?’
Blommeke begreep het. Haar ouders waren gescheiden. Bijna al het geld dat papa met hard werken verdiende ging naar mama. Die had een gat in haar hand en was te lui om zelf een baantje te zoeken. Blommeke leek gelukkig op haar vader. Ze was een vlijtig meisje met een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ze had een krantenwijkje en bracht wekelijks de zondagskrant rond. Dat leverde niet veel op, maar alle kleine beetjes helpen. In plaats van snoep te kopen, kocht ze af en toe een flesje bier voor haar vader, dat kon hij zelf niet betalen. Alcoholvrij, dat snap je wel. De rest van het geld stopte ze in haar spaarpot.
Toen papa het over de verjaardag van opa had, zei ze: ‘Dat probleem los ik wel op, vader.’ Ze keilde het spaarvarken op de grond en veegde de spaarcentjes bij elkaar. Daarmee ging ze de volgende ochtend naar de warme bakker en kocht een reuzengrote kersenvlaai. Papa kreeg tranen in zijn ogen van blijdschap.
‘Zullen we nu dan gaan?’ vroeg Blommeke.
‘Helaas.’ zei papa. ‘Ik moet werken. Ga jij maar alleen. Pas goed op in het Enge Bos. Geen bloempjes plukken, flink doorstappen.’
‘Maak je geen zorgen vader, ik let wel op mezelf!'


Blommeke ging op weg. Het was wel een half uur lopen. Ze had nog maar enkele stappen in het Enge Bos gezet toen een leeuw op haar af kwam.
‘Dag prinsesje,’ gromde hij vriendelijk.
‘Hoi!’ zei Blommeke.
‘Waar ga jij heen?’
‘Naar opa.’
‘Wat heb je daar bij je?’
‘Een kersenvlaai voor opa.’
‘Waar woont opa?’
‘Nog twintig minuten verder het bos in. Je kent zijn huis vast wel. Rieten dak, hoge schoorsteen.’
De leeuw liep een eindje met Blommeke mee en gromde opeens: ‘Zie je daarginds die mooie bloempjes staan? Pluk er wat van, dat zal opa fijn vinden. Opa’s houden van bloemen. Ik zal intussen wel op de vlaai passen.’
‘Ik ben niet gek, leeuw. Terwijl ik bloemen pluk, eet jij de vlaai op, niet soms?’
‘Dat heb je goed geraden,’ antwoordde de leeuw zonder te blikken of te blozen.
‘Nou, dat kun je mooi vergeten. Zoek jij maar een andere prooi. Of neem een krantenwijkje, net als ik. Dan kun je centjes verdienen en zelf een vlaai kopen.’
‘Dat is beneden mijn stand,’ gromde de leeuw minachtend.
‘Je kunt de pot op!’ antwoordde Blommeke en drukte de doos met de vlaai stevig tegen zich aan.
De leeuw was aan het einde van zijn geduld en gromde: ‘Of die vlaai, of ik vreet jou op!’
‘De vlaai is voor opa. Eet mij dan maar op.’
‘Dat is goed,’ gromde de leeuw en wilde toehappen. Maar Blommeke riep: ‘Ho ho, even wachten! Als jij mij hebt opgegeten, neem je de vlaai zeker als toetje.’
‘Dat was ik van plan,’ antwoordde de leeuw met een vals lachje.
‘Dat is niet eerlijk! Beloof me dat je de vlaai naar opa brengt. Die is jarig.’
De leeuw beloofde het.

 

...toen een leeuw op haar afkwam...

 

 

‘Dan zal ik mij nu gereedmaken,’ zei Blommeke. Ze ging op haar knieën zitten, vouwde haar handen en fluisterde: ‘Moeder help!’
Tussen de bomen verscheen een stevig gebouwde vrouw, tot haar middel omsluierd door glanzend roodbruin haar. Eva, de oermoeder. ‘Zeg het eens, prinsesje,’ zei ze.
Blommeke vertelde wat er aan de hand was.
‘Dat is niet zo mooi,’ zei Eva.
‘Sorry,’ gromde de leeuw. ‘Ik kan het niet helpen. Dat is mijn natuur.’
‘Dat is zo,’ zei Eva. ‘Zo heeft de Schepper het gewild.’
Op dat moment naderden een pony en een gems. ‘Komt er nog wat van, prinsesje?’ hinnikte de pony. ‘Opa wacht op de vlaai en jij staat hier maar te kletsen.’
‘Mijn schuld niet!’ riep Blommeke verontwaardigd. ‘Die leeuw vindt mij een lekker hapje.’
‘Ik dacht dat je vegetariër was,’ mekkerde de gems die in een vrolijke bui was.
‘Klopt! Een echte dierenvriend eet geen vlees, heeft opa gezegd.’
‘Ik ben niet kieskeurig,’ gromde de leeuw likkebaardend.
‘Nou, dan is de zaak duidelijk,’ hinnikte de pony. ‘Je kunt naar huis gaan leeuw. Echte dierenvrienden mag je niet opeten.’
‘En waarom dan niet?’ mopperde de leeuw.
‘Die zijn zeer zeldzaam en veel te goed om opgegeten te worden.’
‘Te taai,’ mekkerde de gems, die zich snel achter de pony verschool omdat hij wel wist wat er komen ging.
De leeuw begon loeihard te brullen. ‘Als ik Blommeke niet mag opeten, vreet ik jullie op!’
‘Daar zit wat in,’ zei Eva. ‘De natuur moet zijn loop hebben.’
‘Het recht moet zijn loop hebben, de leeuw volgt zijn natuur,’ mekkerde de gems wijsneuzig.
‘Val Eva niet in de reden, klipgeit!’ hinnikte de pony op bestraffende toon.
‘Goed gezegd pony,’ zei Eva. ‘We zijn hier niet op school.’
Blommeke werd boos en zei: ‘Opa wacht op de vlaai, Eva. Met al dat geklets komen we geen stap verder.’
‘Daar heb je gelijk in, prinsesje,’ zei Eva. ‘Het lijkt mij het beste dat ik nu even de hulp inroep van boven.’ Ze vouwde haar handen en keek heel ernstig. Toen scheurde de Hemel open en bulderde een stem: ‘Wat nou weer?’ De Schepper, in hoogsteigen persoon. Je kon hem niet zien, maar hij was het wel. (Of misschien ook niet. Hij klonk zo onvriendelijk.)
Eva vertelde wat er aan de hand was.
‘De schepping is voltooid, ik kan geen uitzonderingen maken,’ zei de stem bars.
‘In zes dagen heeft U de wereld geschapen. Maar, vergeef mij dat ik het zeg, volgens mij bent U wat haastig geweest. Uw schepping is, vergeef mij nogmaals, niet volmaakt.’ En daarna gaf Eva een ellenlange opsomming van wat volgens haar allemaal beter had gekund.
‘Er zijn altijd mensen die menen het beter te weten, Evie. Oké, hier en daar een constructiefoutje misschien, maar praten is één, doen een ander,’ verdedigde de stem zich. Daarna was het een tijdlang stil.
‘Ik heb honger!’ gromde de leeuw ongeduldig. ‘Wie wil er het eerst verslonden worden?’
Ook Eva begon ongeduldig te worden. Ze strekte haar handen naar de Hemel en riep: ‘Opa is jarig! Er moet wat gebeuren, en als het kan een beetje snel!’
‘Vrouwen!’ baste de stem. ‘Lastpakken! Had ik ze maar niet gemaakt.’
‘Constructiefoutje?’ vroeg Eva.
‘En nog brutaal ook!’
‘Toe, wees eens aardig,’ zei Eva. En ze glimlachte op die typisch vrouwelijke manier waarvoor, al vanaf het begin van de schepping, zelfs de sterkste man door de knieën gaat.
‘Constructiefoutje...’ grinnikte de stem en vervolgde op toegeeflijke toon: ‘Vooruit dan maar. Een momentje. Even mijn fantasie laten gaan.’
Een ogenblik later schoot een oogverblindende lichtflits door de lucht, fel en snel als de bliksem, gevolgd door een oorverdovende knal. Blommeke deed van schrik haar ogen dicht. Toen ze die weer opendeed, waren de pony en de gems verdwenen. Op hun plaats stond een pony met een geitensik en op zijn voorhoofd een lange spitse hoorn, een Eenhoorn. Hij steigerde en brieste angstaanjagend.
‘Wou jij Blommeke opeten?’ hinnikte hij dreigend.
De leeuw schrok zich een hoedje. Zoiets had hij in zijn hele leven nog niet gezien.
‘Als jij Blommeke met één poot durft aan te raken, spies ik jou aan mijn hoorn!’ hinnikte de Eenhoorn. En hij steigerde en brieste weer.
De leeuw werd vreselijk bang. Met de staart tussen de benen droop hij af.
‘Kom maar op mijn rug zitten, prinsesje,’ zei de Eenhoorn. ‘Opa heeft nu lang genoeg gewacht.’
Blommeke sprong op zijn rug, zette de vlaai op haar schoot, greep zich vast aan de manen en riep: ‘Allee hup!’ De Eenhoorn rende zo hard, dat zijn hoeven nauwelijks nog de grond raakten. Precies op de afgesproken tijd kwamen ze bij opa aan en nauwelijks een minuut later smulden ze gedrieën van de overheerlijke kersenvlaai, bedekt met een dikke laag verse slagroom.

‘Zoals je begrijpt,’ zo besloot de paardenman, ‘werden Blommeke en de Eenhoorn de beste vrienden. Kom je in de toekomst op de Oskense Heide een pony tegen met een geitensik, een lange spitse hoorn op zijn voorhoofd, en op zijn rug een meisje dat een kersenvlaai in de hand heeft, dan weet je, dat is prinses Blommeke die op weg is naar haar opa. Prinses? Een meisje dat op de rug mag zitten van een pony waarvoor zelfs de koning der dieren op de vlucht slaat, dat is een echte prinses.’

Glimlachend had Lieveke naar het verhaal geluisterd. ‘Houdt u toevallig van kersenvlaai, paardenman?’ vroeg ze.
‘Daar zeg ik geen nee tegen,’ antwoordde de paardenman.
‘Ik ook niet,’ zei Lieveke. ‘Als u voor de vlaai zorgt, zorg ik voor de slagroom. Is dat goed?’
‘Afgesproken!’ antwoordde de paardenman grinnikend.

 

 klik

         eenhoorn