Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur  

 

 

 

Chantal


 

...Zijne Excellentie de Eerste Minister meester doctor Jan Muisje...
 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


(XX-jaren later)

Het was feest in Azen. De kerkklokken luidden, de vlaggen wapperden en de straten waren versierd. Er werd gedanst, gehost en gezongen: ‘Muisje is dood, lang leve de koning!’ Na lange tijd was Azen opeens weer een koning rijk.
Hoe dikwijls had de paardenman het er niet over gehad? ‘Eens, lang geleden, toen Azen nog een klein zelfstandig koninkrijk was...’ Met weemoed in zijn stem, alsof hij die tijd zelf had meegemaakt. En nu opeens... Natuurlijk had iedereen het al lang van tevoren zien aankomen, maar toen het gebeurde voelde het toch als opeens, als heel plotseling. Zo ervoer Lieveke het tenminste. Wat eraan vooraf ging:

Werd Azen eeuwenlang en tot ieders tevredenheid geregeerd door vreedzame koningen uit het geslacht Bern, op een dag voltrok zich een ramp. In het Land van de Grote Stromen was het water over de dijken gespoeld en had al wat edel en adel was afgevoerd naar zee. De grijze muizen hadden de macht gegrepen. Het waren vrijgevochten dieren die geen ander gezag erkenden dan hun eigen gezag. In hordes verspreidden ze zich over de omliggende landen en knaagden de poten onder de stoelen van de koningen vandaan. Die vielen, koning Bern niet uitgezonderd, stuk voor stuk van hun troon. Hun plaatsen werden ingenomen door Hotemetoten, muizen in krijtstreeppakken die hoge hoeden droegen. ‘Res publica,’ riepen ze, Hotemetoots voor republiek. Voortaan stonden de woorden vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid in het vaandel. Niet de vorst, het volk moest het voor het zeggen hebben. Daar viel ook de kerkvorst van Rome onder. Er kwam een verbod op het luiden van Rooms klinkende klokken en het veroverde gebied heette voortaan de Republiek der Lage Landen.
Een voormalig paleis in een van die landen werd ingericht tot vergaderzaal, van waaruit de tot bestuurders gekozen Hotemetoten de republiek regeerden. Dat ging niet lang goed. Hoewel beloofd was dat er naar de inwoners zou worden geluisterd, regeerden ze als ouderwetse vorsten, voornamelijk geïnteresseerd in hun eigen vermaak.

Van welke kleur ze ook zijn, muizen zijn speelse dieren. Een van de meest geliefde spelletjes van de Hotemetoten was het bedenken van nieuwe woorden. Er ontstond een taal die niemand meer begreep: het ABL, Algemeen Beschaafd Laaglands. Intussen doofden de straatlantaarns, vielen er gaten in de wegen en raakten de riolen verstopt. Het volk begon te morren. ‘Ophoepelen!’ werd er geroepen, ‘Terug naar Af!’ Het vervulde de bestuurders met afschuw. Het waren ‘abjecte woorden die op gespannen voet stonden met de vocabulaire van het ABL’. (Wie dit niet begrijpt, hoeft zich niet te schamen. Integendeel. Een normaal mens snapt er niets van.) Vervolgens bood het volk een smeekschrift aan waarin de regeerders vriendelijk werd verzocht af te treden. Die voelden daar niets voor. Zij huurden reclamemakers in die met volkse slagzinnen als ‘Wij zijn er voor U!’, ‘Laten we het SAMEN doen!’ en ‘Meebesturen, ja gezellig!’ het tij probeerden te keren. Het volk had er echter geen vertrouwen meer in en wilde niet langer laaglandelijk bestuurd worden. Het regende smeekschriften. Die verdwenen als ‘gezeur van dom volk’ in de prullenmand. Het volk was echter niet zo dom of het wist wel een oplossing. Het weigerde nog langer te stemmen, zodat er geen nieuwe bestuurders meer werden gekozen. Ze stierven uit. Nadat de op één na laatste naar Het Land van Immer was vertrokken, legde de laatste, een grijsaard van honderd en drie, het vermoeide hoofd in de schoot.

Jan heette hij, Jan Muisje. Om precies te zijn: Zijne Excellentie de Eerste Minister meester doctor Jan Muisje. Eenzaam en alleen achtergebleven in de grote vergaderzaal kwam hij op het excellente idee te gaan nadenken over wat het volk nu eigenlijk wilde. Schaalverkleining, was zijn conclusie. Hij spreidde de kaart van de Lage Landen uit op de vergadertafel en knipte die in dertig stukken, die hij ‘democratische eenheden’ noemde. Het kwam erop neer dat de kleine, knusse, gezellige staatjes van vóór de republiek in ere werden hersteld en dat het volk daar zijn eigen leider mocht kiezen. Na het knipwerk trok Muisje de deur van de laaglandelijke vergaderzaal met een knal achter zich dicht, kroop bedroefd in zijn hol en is er nooit meer uitgekomen.

 

...een beeldschoon burgermeisje uit het bergdorp Monteverdi...

 

 

Hoewel in de omliggende landen het koningschap werd gezien als een niet meer in de huidige, moderne tijd passende vorm van regeren, werd in Azen onmiddellijk de monarchie hersteld. Eindelijk weer een regeringshoofd dat op Koningsdag, en onder het gebeier van Rooms klinkende klokken, lintjes uitdeelt. Niet een of andere Hotemetoot, de koning zelf speldt de eremedailles op. En de koningin geeft iedereen een hand, dezelfde als waarmee ze tijdens de maandelijkse rijtoer in de gouden koets allerliefst naar alle mensen zwaait. Als de inwoners van Azen iets hadden gemist, dan was het dat wel.
Jan Willem, een van de populairste leden van de familie Bern, werd met algemene stemmen en onder luid gejuich tot koning gekozen. Niet in de laatste plaats door zijn huwelijk met de charmante Aleide, een beeldschoon burgermeisje uit het bergdorp Monteverdi in Het Land van de Romeinen, Latijnen en Osci. Prachtige handen heeft ze, ogen stralend als de zon, een huid zacht en blank als een lelie en lang, golvend, glanzend zwart haar. Zij is een sieraad op de troon en haar ontwapenende glimlach roept zoete herinneringen op aan de lieftallige prinses Amalia, dochter van koning Bern de Wijze uit de Romeinse tijd. Koningin Mirábile wordt ze genoemd, Oscisch voor bewonderenswaardig. Niet alleen omdat ze er zo uit ziet, ook en vooral omdat ze zich zo gedraagt. Waardig maar zonder een spoor van hoogmoed, vriendelijk, openhartig en met open oor en oog voor de noden van anderen. In plaats van haar vorstelijke toelage uit te geven aan majesteitelijke kleren, schoenen en juwelen schenkt ze het geld aan de armen in haar geboortestreek.

Als al zijn voorgangers is koning Bern, bijgenaamd de Historicus, een man van de vrede en een vorst met een vooruitziende blik. Gedachtig het gezegde dat wie veilig vooruit wil rijden goed achterom moet kijken, stelde hij onmiddellijk na zijn benoeming het vak Sprookjes Sagen en Legenden verplicht op alle scholen. Een groep jonge kunstenaars, verenigd in de Werkgroep Angelo Verdino, kreeg een meer dan vorstelijke subsidie om het verleden te doen herleven. Ze gingen meteen aan de slag. In Hertogstad werden onmiddellijk de niet in het oude stadsbeeld passende luifels van de winkelpuien gesloopt en kreeg de stedenbouwkundige opdracht de Wildemanhutten te herbouwen in de parken van Moriaan. In Numaga kreeg het standbeeld van Keizer Karel gezelschap van een uit steen gehouwen Ridder Anton en in ‘s Ravennest werd een begin gemaakt met de restauratie van het kasteel van ridder Ravens van Falkenhof. 
Osken werd weer het fraaiste, kunstzinnigste en kunstminnendste stadje van Azen. De stal van de os van Osken, verworden tot een schuilplaats voor thuisloze dieren, werd in alle pracht en praal hersteld. In het centrum keerde de barokke muziektempel terug, die onder het bewind van de grijze muizen plaats had moeten maken voor het standbeeld van een Hotemetoot. Kale gevels werden opgefleurd met kleurige mozaïeken, op elke open plek kwam een klassiek beeldhouwwerk en in openbare gebouwen werden saaie wanden versierd met fresco's. En het bronzen varken verhuisde met bult en al naar waar historisch gezien altijd al had moeten staan: de Varkensmarkt.
Het zette de ondernemers aan het denken. Wat viel er nog meer aan kunst te maken? Het duurde niet lang of er verrezen werkplaatsen waar kunstlicht werd gemaakt, kunstglas, kunstwol, kunstleer, kunststof, kunstvlees, kunstboter, kunsthoning en kunstgebitten. Zelfs het elkaar liefhebben werd tot kunst verheven. En daar was iedereen echt blij mee.

Intussen was koning Bern de archieven ingedoken van de Rijksdienst voor Natuur en Andere Ter Ziele Gegane Monumenten. Daar vond hij een als verloren beschouwde kaart van de Oskense Heide, waaruit bleek dat Hongerveld al in de Romeinse tijd bestond. Het is de naam van een bosweide waar de zeldzame Draba Muralis groeit, Hongerbloempje in de volksmond. In opdracht van Zijne Koninklijke Hoogheid gingen de beste kaartlezers van Azen er naar op zoek maar ze konden niets vinden. Met behulp van professor doctor L. Chantal is het tenslotte wel gelukt. Zij kent het gebied als de legendarische paardenman.

Oudheidkundigen stelden meteen een onderzoek in. Ze vonden restanten van pijlen die afkomstig zouden zijn van De Wildemannen. Eén oudheidkundige vermoedt echter dat het penseelstelen zijn. Over één ding zijn de geleerden het volledig met elkaar eens: er heerst in Hongerveld een wonderlijke, bovenaardse sfeer.
‘Logisch,’ zegt professor Chantal. ‘Hongerveld is een van de plaatsen waar op gezette tijden voorbeeldmensen uit Het Land van Immer naar toe komen om verdwaalde aardlingen het pad te wijzen naar het eeuwige geluk.’
Professor Chantal, beter bekend als Lieveke, kan het weten. Zij is hoogleraar Witte Schimmen en Andere Mysterieuze Verschijnselen aan de Universiteit van Hertogstad. Werd zij als jong meisje al geprezen om haar grote verstand en levendige geest, nu roemt men haar als een bijzonder talentvolle wetenschapper die, zo wordt beweerd, in nauw contact staat met gezanten van Het Land van Immer. Op grond daarvan is haar gevraagd een helder licht te laten schijnen over de vraag of de gevonden restanten pijlen dan wel penseelstelen zijn. Ze zegt dat het haar van hogerhand niet is toegestaan uitspraken te doen over zaken die niet tot haar vakgebied behoren. Koning Bern heeft geprobeerd haar te verleiden dat wel te doen door haar voor deze dienst aan het vaderland een ridderorde te beloven. Ze antwoordde: ‘Ridder ben ik al vanaf mijn jongste jaren. Mijn prijzenkast hangt vol met lintjes. Het enige waar ik op dit ogenblik behoefte aan heb, is aan een betrouwbare paardenknecht. Als het uwe majesteit belieft, kunt u mijn maarschalk worden.’

 

...liefde in G groot...

 

 

Koning Bern heeft ervan afgezien haar wegens majesteitsschennis in een kerker van zijn kasteel op water en brood te zetten. Eerstens is in de kerkers al eeuwenlang Brouwerij Het Azens Gerstenat gevestigd. Tweedes zal het volk hem onmiddellijk van zijn warme, met pluche beklede troon stoten. En derdes zal ook koningin Aleide in opstand komen, omdat ze haar zangmaatje in ‘Lavori in Corso’ niet zal willen missen. Want net als Helena, de leeuwerik van de Oskense Heide, zingt professor Lieveke de sterren van de hemel. Tijdens haar zwerftochten door bos en heide brengt ze vreugde in de harten van dier en mens. In gezelschap zingt ze onder leiding van ene Marcus, ‘zeg maar Mark’. Zijn grote voorbeeld is de toonkunstenaar Lucas Marcus uit Nisse ter Laar, dirigent van het naar Het Land van Immer opgestegen Sangchoir ViaLaudae. Net als deze legt hij zout op iedere noot en staat hij stil bij iedere maatstreep. Echter, in tegenstelling tot Lucas Marcus is Mark een echte ridder, een zeer goede ruiter. Ridderlijk is hij ook: zoals hij met paarden omgaat, zo behandelt hij ook de zangers en zangeressen. Boven zijn dirigeerstoel staat geschreven:

Niet door geweld en kracht
maar met geduld en zacht
wordt resultaat verkregen

‘Het gezegde,’ zo legde hij uit, ‘slaat op de omgang van ouders met kinderen, van mensen onderling en van mensen met dieren. Maar ook, en op deze plaats in het bijzonder, op de omgang met de muziek die wij uitvoeren, de geesteskinderen van begaafde toonkunstenaars.’
Mark geeft zelf het goede voorbeeld. Om zijn doel te bereiken gebruikt hij zweep noch sporen. Stapje voor stapje wijdt hij de zangers en zangeressen in in de kunst van samenzang en stembeheersing. Vriendelijk, begripvol en met veel humor. Wie er een half toontje naast zit, kan rekenen op een lofprijzing omdat het ‘slechts’ een half toontje is. En mocht door een overmaat aan schelle en valse klanken de neiging in hem opkomen tikken uit te delen met zijn stemvork, dan weerhouden hem wel de trouwhartige blikken in de ogen van de dames en de heren die warme gevoelens in hem opwekken, vooral voor Lieveke die zo’n twee jaar geleden zijn pad kruiste.

Net als Lucas Marcus is Mark een toonkunstenaar die graag zelf muziek schrijft. Om inspiratie op te doen, maakt hij af en toe een wandeling op de Oskense Heide. Daar werd hij op een dag bijna omver gereden door een fjordenpony die hem in vliegende vaart tegemoet kwam. Het dier maakte een zijsprong en stond onmiddellijk stil. De ruiter steeg af en bood haar excuus aan. Professor doctor Lieveke Chantal, de ‘cowboy’ van de Oskense Heide. Ze had hem te laat opgemerkt. Mark werd getroffen door haar wondermooie, heldere stem en maakte er een opmerking over. De twee raakten met elkaar in gesprek. Lieveke zei dat ze graag met andere mensen wilde samen zingen. Daar had Mark wel oren naar. Zo ontstond Lavori in corso. (Een vondst van koningin Aleide. Van haar geboortedorp Monteverdi naar haar toekomstige echtgenoot in Azen reizend, was ze die naam dikwijls langs de weg tegengekomen: Werk in uitvoering.)

Sinds hun kennismaking ontmoeten Mark en Lieveke elkaar geregeld op de Oskense Heide. Soms te voet, meestal te paard. De een op een volslanke fjord, de ander op een forse Haflinger, een voskleurige pony met sneeuwwitte manen en sneeuwwitte staart. Bij het Perenven stappen ze af om de dieren te laten grazen. Zelf gaan ze op de bank rond de grote eik zitten en als er niets te vertellen valt, kijken ze in stilte toe.
Op een warme zomerdag stelde Mark plotseling voor een frisse duik te nemen in het ven. Lieveke keek verrast op. Met die gedachte had ze zelf ook gespeeld, maar meteen kwam haar het sprookje van Philo voor de geest. ‘Meisjelief, hartendief, dit geeft geen pas, verlaat hem ras; haastig getrouwd, snel berouwd.’ De paardenman in de rol van zedenmeester. Maar ze kende Mark al heel wat langer dan die twee fruitvliegjes waar hij het over had. Een lieve man, had ze ontdekt. Intelligent, bescheiden. Dromerig soms, zoals zijn muziek. Prachtig. Maar was hij niet ook een jonge man zoals zij een jonge vrouw? Die gedachte vervulde haar meer en meer. Lachend antwoordde ze: ‘Zo warm heb ik het niet. En stel dat er opeens een prins op een wit paard voorbij komt die last heeft van de warmte en me naduikt?’
Mark kreeg een kleur, richtte zijn blik beschaamd naar de grond en zweeg. Lieveke legde vertrouwelijk een hand op zijn knie en vervolgde op ernstige toon: ‘Laten we er geen doekjes om winden, Mark. Ik vind jou een aardige man en jij vindt mij een aardige vrouw, anders zouden we niet zo vaak samen paardrijden. Maar wat mij een beetje stoort, is dat ik zo weinig van je weet, terwijl we elkaar toch al zo lang kennen. Dat wil zeggen, jij kent mij. Goed, ik ben een babbelkous en als we hier op de bank zitten te praten, ben ik meestal aan het woord. Wat dacht je ervan voor de verandering de rollen eens om te draaien? Vertel eens iets over jezelf, over vroeger, over je jeugd. Maak er maar een sprookje van, zoals de paardenman. Daar hou ik van.’
Mark keek schichtig haar kant uit, grinnikte verlegen, schraapte zijn keel en begon. Om alle vragen in een keer te beantwoorden vertelde hij meteen maar zijn hele levensverhaal.


Mark