Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur  

 

 

De

Eenra

 

 

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


O
efening Enge Man. Start. Nu! Alhoewel, kom eens even hier.’
Lieveke lachte en nam nog wat meer afstand. De eerste keer was ze erin getrapt. De paardenman had haar vastgegrepen en uit het zadel getrokken. ‘Heb ik je niet gezegd dat enge mannen niet te vertrouwen zijn!’ had hij lachend uitgeroepen. Zoiets zou hem geen tweede keer lukken. Hij knikte goedkeurend en commandeerde: ‘In hoog tempo: rechts erop, langs de staart eraf, links erop, rechts eraf, onder de hals door, pony bij de teugels pakken, wegrennen, in het zadel springen, drie passen achterwaarts, aanspringen in galop, volte en rij de enge man aan barrels!’
De paardenman speelde zelf voor enge man. Rakelings galoppeerde ze langs hem heen en wipte in het voorbijgaan het hoedje van zijn hoofd. Als een uit steen gehouwen standbeeld bleef hij staan.
‘Leuke oefening, maar nodig?’ had ze gevraagd.
Grommend had hij geantwoord: ‘Mocht, wat ik niet hoop, ooit een engerd je pad kruisen, dan weet je dat je niet machteloos bent. Als zo’n kerel vijfhonderd kilo op zich ziet afstormen, vergaat hem elke lust.’
Nu, de derde keer, verliep de oefening vlekkeloos. In het zadel springen, drie passen achterwaarts en vanuit stilstand in galop, doe het maar eens. Ze had heel wat geoefend.
‘Goed zo, Lieveke,’ zei de paardenman en stopte een hoefkrabber in de zadeltas. ‘Neem die altijd mee. Loopt de pony opeens kreupel, dan is de kans groot dat er een steen in de hoef zit vastgeklemd. Kom heelhuids thuis. Ik wens je een prettige rit.’
Eindelijk! Voortaan mocht ze alleen met Komiek er op uit. Juichend en in volle galop was ze er vandoor gegaan.

Weer of geen weer, van toen af aan zwierf Lieveke elk weekend over de Oskense Heide. Terugkomend van een van die zwerftochten stapte ze af bij het Perenven om haar pony te laten grazen. De zon stond hoog aan de hemel. Ze vlijde zich neer op een plekje in de schaduw en luisterde, soezend in de warmte, naar het ruisen van de wind, het gekwaak van kikkers, het gesjirp van krekels en het gekwetter van vogels. Opeens werden al die geluiden overstemd door een leeuwerik die luid zingend omhoog vloog, enkele buitelingen maakte en als een baksteen terugviel naar de grond. Lieveke schrok en slaakte een angstige gil. Even later streek het vogeltje aan haar voeten neer.
‘Wat heb jij een mooie stem,’ zei hij.
‘En wat vlieg jij gevaarlijk!’ antwoordde Lieveke een beetje boos.
‘Dat lijkt maar zo,’ zei de leeuwerik. ‘Ik kan vliegen als de beste. Bovendien ken ik mijn straat als geen ander.’
‘Welke straat?’
‘De Leeuwerikstraat natuurlijk, dompie.’
De leeuwerik wees met een vleugelpunt naar de hemel.
Lieveke tuurde in de lucht. Niets te zien.
‘Van hier af is hij ook moeilijk te zien. Loop maar even mee naar de voet van de straat.’
Die lag een eindje verderop aan de rand van het ven, aan het oog onttrokken door lisdodden en lelies. Vanaf dat punt slingerde zich een smalle weg omhoog, doorzichtig en ijl als een door de wind weggeblazen kanten sluier. Bovenaan kronkelde die zich in drie scherpe bochten en liep van daaruit steil naar beneden.
‘Vooral die haarspeldbocht is lastig,’ zei de leeuwerik die met haar meekeek. ‘Voor je het weet vlieg je eruit. Maar ja, als iedere vogel het bij zijn eigen straat houdt, is er niets aan de hand.’
‘Zijn er dan nog meer vogelstraten?’ vroeg Lieveke met stijgende verbazing.
‘Tuurlijk! Om in vorm te blijven moet elke vogel af en toe oefeningen doen.’
‘En die straten zijn hier ook allemaal?’
De leeuwerik rilde. ‘Alleen de gedachte al! De roofvogelstraten vind je bij het Appelven, de zangvogelstraten bij het Perenven. Maar we hebben hier wel eens twee vreemde gasten gehad, die uitgerekend in mijn straatje bloedstollende capriolen gingen uithalen.’
‘Vertel op!’ hinnikte Komiek. ‘Ik hou wel van een spannend verhaal.’
Eerst wilde de leeuwerik niet. ‘Ik ben hier om te oefenen, niet om te babbelen.’
‘Vertellen!!!’ riepen Lieveke en Komiek in koor.
‘Ogenblikje dan, eerst even mijn trainingsprogramma afwerken.’ De leeuwerik vloog nog een aantal keren de straat op en af. Daarna streek hij zijn vleugels glad en begon.

 

...veranderde ze in een prachtige zwaan...

 

LANG geleden leefden er in Stapelen, een stadje in het westen van Azen, negen eenden. Acht hadden een gouden verenpak, eentje was zwart als een raaf. Met z’n negenen woonden ze in een karmijnrood geverfd huis en sliepen op zilveren slaapbalken. Die waren een geschenk van baron Van Stapelen die, net als de inwoners van het stadje, stapel was op eenden.

De eendjes waren gezellige, onbezorgde kwekkers aan wie iedereen veel vreugde beleefde. In hun jeugdige overmoed waren ze niet alleen onbezorgd maar soms ook onbezonnen. Hoewel de baron het had verboden, maakten ze wel eens een wandeling als het al donker was. Dan was het niet veilig op straat. Dan gingen stropers op pad: katten-, honden- en eendenmeppers.

Op een avond trof een zekere Cornelis, terugkomend van zijn wekelijkse kaartavond, de eendjes in zijn tuin aan. ‘Wat moet dat?’ mopperde hij. ‘Het is toch al lang bedtijd!’
Het zwarte eendje zei dat hij niet kon slapen en dat de gouden eendjes voor de gezelligheid met hem waren meegegaan.
Cornelis snapte het meteen. Als kind had hij ook vaak moeite gehad met inslapen. Als het te lang duurde, zong zijn moeder een liedje voor hem. Als de doeven dansen, heette het. Nu zong hij het voor de eendjes, die even later knikkebollend naar huis gingen.
Bezorgd over hun onverstandige uitstapje zond Cornelis een gebed naar de Hemel. Dat werd per omgaande verhoord. Pieter Frans, werkzaam op de afdeling Vogelbelangen, kwam de Hemel uit en deed het eendenhuis met een gouden sleutel op slot, zodat niemand er meer in of uit kon. Dat deed hij voortaan elke avond. Op het moment dat hij welterusten zei, begon Cornelis te zingen.

Cornelis had de mooie, zuivere stem van zijn moeder en was zangkunstenaar geworden. Om de Stapelse mensen te plezieren, zong hij elke avond een uurtje voor het open raam. Dan stopte iedereen met zijn bezigheden en genoot van de wondermooie klanken. De negen eendjes hielden op met kwekken en luisterden ademloos naar Cornelis, die tot slot voor alle eendjes, maar speciaal voor het zwarte, ‘Als de doeven dansen’ zong. Nog voor het lied helemaal uit was, waren de gouden eendjes al in dromenland en zagen zichzelf als koerende duiven door de lucht zwieren. Het zwarte eendje dwong zichzelf tot het eind van het lied wakker te blijven. Als de slaap hem bij zijn kameraadjes voegde, veranderde hij niet in een koerende doef, maar in een prachtige zwaan die net zo mooi kon zingen als Cornelis. Wie op de hoogte is van het ontstaan van het meerleendenras, waarvan het zwarte eendje afstamde, zal dat niet vreemd in de oren klinken. Wie niet, die luistere:

Op een kwade dag in het verre verleden trof een hoogzwangere merel bij thuiskomst haar zorgvuldig gebouwde nest vernield aan, het werk van een brutale nestrover. Ze schrok zo hevig dat ze meteen weeën kreeg en genoodzaakt was in een naburig eendennest te bevallen. De kleine eitjes verdwenen onder de eendeneieren en de nietsvermoedende moedereend broedde ze later uit. Het voert te ver om een precieze beschrijving te geven van kruising en herkruising in de volgende jaren, maar feit is dat aldus een nieuw eendenras ontstond: de merlet of meerleend. Uiterlijk verschillen ze nauwelijks van andere eenden. Hun pootjes en snavels zijn wat korter, maar wat onmiddellijk opvalt, is hun bijzonder heldere kwek. Gezien hun afstamming is dat niet verwonderlijk: merels hebben een mooie, heldere stem.

Het zwarte eendje wist dat allemaal niet. Voor zijn verlangen mooi te kunnen zingen had hij geen verklaring. Dat hij er uit wilde zien als een zwaan is niets bijzonders, dat willen wel meer jonge eenden. Zwanen kunnen echter niet zingen. Ze zien er heel mooi uit met hun lange, sierlijke halzen, maar als ze hun snavel open doen snateren of trompetteren ze. Dat weerhield het zwarte eendje er niet van zichzelf in zijn dromen te zien als een prachtig zingende zwaan. ‘s Morgens bij het opstaan droomde hij er nog over na. Dan rekte hij zijn korte halsje in de hoop dat het daardoor langer zou worden. Ook probeerde hij het geluid van Cornelis na te doen. Maar er kwam nooit iets anders tussen zijn snaveltje vandaan dan kwek, kwak of fieb.
‘Dromen zijn bedrog,’ zeiden de andere eendjes tegen hem. ‘Dromen zijn fijn, maar ze worden nooit waar.’
Dom geklets, vond het zwarte eendje. Maar hoe goed hij ook zijn best deed, zijn halsje bleef kort en met zingen wilde het ook niet lukken. Hij werd er op den duur verdrietig van.

 


 

...bovenop het nest schitterde een gouden kroon...

In die dagen leefde in ‘s Ravensnest, een stadje in het noorden van Azen, ridder Ravens van Falkenhof. Liefhebber van klokkende geluiden, had hij de torenkamer van zijn kasteel ingericht als ravennest. Raven zijn dol op alles wat glimt en glinstert. Daarom had hij de wanden volgehangen met glimmend gepoetste zilveren voorwerpen, de vloer bestrooid met helblauwe glinstersteentjes en bovenop het nest schitterde een gouden kroon.

De raven klokten en tokten als kippen in een ren. Ze konden er niet genoeg van krijgen zich in al dat moois te spiegelen, op één na: de witte raaf. Het gepronk van zijn zwarte kameraden vond hij wel grappig en ze waren beste maatjes, toch had hij het gevoel dat hij in het ravennest niet echt op zijn plaats was. Welke raaf is er nu wit? Misschien was hij wel geen echte raaf, had ook zijn ei in een ander nest moeten liggen. Of was hij in zijn geboortenest verkleurd door de zon in de tijd dat zijn moeder eten voor hem ging zoeken. In plaats van zoonlief onder de vleugels te nemen, hield zijn vader zich bezig met het strijken van zijn eigen verenpak. Hij was een flierefluiter en bekommerde zich louter om zijn roep als hartendief. 
Hoe het ook zij, hij was opgegroeid als witte raaf en daar was nu eenmaal niets aan te veranderen.

Op een dag gebeurde er iets bijzonders. Het was tegen het vallen van de avond, rond welke tijd de witte raaf gewoonlijk een ommetje maakte boven ‘s Ravensnest. Het was zo’n mooie, heldere avond dat hij zijn tocht uitbreidde tot ver boven de Oskense Heide. Aangelokt door een wonderschoon geluid, onderbrak hij zijn vlucht en landde op het dak van een klein, witgekalkt huisje op een open plek in het bos tussen het Appelven en het Perenven. Hier woonde Ursula, een jonge kunstenares die de rust en de stilte van de bossen had verkozen boven het drukke stadsleven. En zij was het die in de tuin stond te zingen met een warme, omfloerste stem die klonk als het ruisen van de wind door het gebladerte.
Net als Cornelis van Stapelen zong Ursula elke avond een uurtje. Niet voor de mensen, die woonden er buiten haar nauwelijks. Ze zong voor de dieren die rond die tijd hun bed opzochten. De witte raaf vond haar gezang zo prachtig dat hij voortaan iedere avond ging luisteren.
Het waren niet altijd vrolijke liedjes die Ursula zong. Vaak waren ze weemoedig, vertelden ze over het vele leed dat er op de wereld is, vooral over de eenzaamheid. Daar werd de raaf altijd ietsepietsie verdrietig van en na verloop van tijd begon hij zich zelfs een beetje eenzaam te voelen. ‘Waarom plaag je jezelf zo?’ vroegen de zwarte raven als hij weer eens met een betraand snoetje op het nest terugkwam. ‘Blijf hier en ben gelukkig net als wij. Het is niet goed je geluk op de proef te stellen.’
Het verlangen Ursula te horen zingen, was echter groter dan zijn gezonde ravenverstand. 

Op een avond, nadat de laatste tonen waren verklonken, was de witte raaf helemaal de kluts kwijt. In plaats van naar huis vloog hij precies de tegenovergestelde kant uit. Meedrijvend op de oostenwind raakte hij verzeild boven het stadje Stapelen. Hij zou gewoon zijn doorgevlogen als hij niet iets vreemds had gehoord. Hij dook naar de grond en belandde voor de deur van het eendenhuis. Hij keek door het zijraam naar binnen en zag het zwarte eendje dat, weggedoken in een hoekje van zijn zilveren slaapbalk, zachtjes zat te huilen. ‘Wat krijgen we nou?’ riep de raaf verbaasd uit. ‘Een huilende eend? Dat is uiterst merkwaardig!’
Het eendje schrok van het gekras van de grote, witte gedaante voor het raam. ‘Bent u een engel?’ vroeg hij met een klein stemmetje.
‘Nee, ik ben de witte raaf van ‘s Ravensnest. Zeg eens, waarom huil jij zo?’
Snikkend vertelde het eendje over zijn hartenwens.
‘Ik zal er eens over nadenken, misschien kan ik je wel helpen,’ zei de raaf troostend, ook al geloofde hij zelf niet dat hij echt kon helpen.

De volgende avond zat de raaf zoals gewoonlijk weer op het dak van het huisje van Ursula. Nu luisterde hij niet alleen, hij dacht ook na over hoe hij het eendje kon helpen. Hierover peinzend hoorde hij Ursula een heel droevig lied inzetten: 'Help us, o Lord,' Help ons Heer. Ontroerd pinkte de raaf een traantje. Toen dacht hij aan het snikkende zwarte eendje en werd hij overvallen door een diep gevoel van medelijden, machteloosheid en eenzaamheid. De tranen biggelden hem over de wangen. Plots vloog hij overeind. ‘Dat ik daar niet eerder aan heb gedacht!’ riep hij uit. Hij sloeg zijn vleugels uit en steeg pijlsnel de hoogte in.
Na meer dan een halve nacht vliegen kwam hij aan bij de Hemel. Opgewonden pikte hij met zijn snavel tegen poort.
‘Rustig maar, rustig maar, wie heeft er op dit tijdstip nu zo’n haast?’ klonk aan de andere kant. Even later knarste de sleutel in het slot en stak Petrus zijn hoofd om de hoek. ‘Wat kom jij doen zo midden in de nacht?’ vroeg hij op moppertoon.
‘Dat zeg ik alleen tegen de Schepper!’ kraste de raaf opgewonden. ‘Is Die thuis?’
‘Tuurlijk is Die thuis. Maar Die ligt al lang op bed. Daar zou jij ook moeten liggen.’
De raaf slaakte een diepe zucht. Had hij nu dat hele eind voor niets gevlogen?
 ‘Nou, vertel eens, wat moet je van de Schepper?’ vroeg Petrus. ‘Misschien kan ik een afspraak voor je maken.’
De raaf vertelde hem het hele verhaal.
‘Een zwarte eend die een zingende zwaan wil worden en een witte raaf die lijdt aan eenzaamheid, dat is niet niks,’ bromde Petrus. Hij dacht even na en zei toen: ‘Ga jij nu maar naar huis, ik heb het er morgen wel met de Schepper over. Zodra ik meer weet, laat ik iets van me horen.’

 

...op de Leeuwerikstraat vloog nu een prachtige, sneeuwwitte zwaan...

 

 

Drie dagen en drie nachten gingen voorbij. Toen verscheen Petrus aan de raaf in een droom. Hij zei: ‘Vlieg samen met het zwarte eendje zingend over de Leeuwerikstraat bij het Perenven. De Schepper zal de rest doen.’
De raaf schrok wakker en vloog meteen naar Stapelen. Toen hij daar aankwam, was Pieter Frans juist bezig het eendenhuis van het slot te doen. Opgewonden vertelde de raaf hem zijn droom. Pieter Frans geloofde hem meteen en liet het zwarte eendje met hem meegaan.

Enige tijd later stonden beide vogels aan de voet van de Leeuwerikstraat. Ze rustten even uit alvorens aan het waagstuk te beginnen. Toen spreidde de raaf zijn vleugels uit en vloog statig de smalle straat in met naast zich het klapwiekende eendje. ‘Prrruk!’ kraste de raaf, ‘fieb!’ kwaakte het eendje, want zingen konden geen van beiden. Boven aangekomen vlogen ze de gevaarlijke haarspeldbocht in. Het eendje begon te kapseizen en schreeuwde het uit van angst. De raaf greep hem vast, verloor zijn evenwicht en samen stortten ze de diepte in. Op dat moment ging de Hemelpoort wagenwijd open en sprak een bulderende stem, dreunend als de donder: ‘Eend en raaf, van nu af aan zult gij Eenra zijn!’ En precies zoals gebeurde bij de schepping van de Eenhoorn, schoot een oogverblindende lichtflits door de lucht, fel en snel als de bliksem, gevolgd door een oorverdovende knal. Van de raaf en de eend was niets meer te bespeuren, maar op de Leeuwerikstraat vloog nu een prachtige, sneeuwwitte zwaan met zwarte snavel en zwarte poten die met gouden stem ‘Als de doeven dansen’ zong.‘ 

 

Het Perenven hulde zich in een dromerige stilte. Kikkers, krekels noch vogels maakten enig geluid. Zelfs de bladeren aan de bomen ritselden niet. Lieveke verbrak het stilzwijgen toen zij zich met moederlijke bezorgdheid afvroeg of het zwarte eendje en de witte raaf zich nu niet meer eenzaam voelden. De leeuwerik antwoordde: ‘De Eenra is geen eenzaamheidsvogel. Waar twee harten onafscheidelijk met elkaar zijn verbonden, kan van eenzaamheid geen sprake zijn.’
Lieveke voelde haar ogen nat worden. Maar voordat de ontroering zich van haar meester kon maken, bracht Komiek haar terug naar de werkelijkheid.
‘Hoe het ook zij, met de geboorte van de Eenra beleeft de nare klank van het woord dubbelhartig ondubbelzinnig zijn zwanenzang,’ hinnikte de pony vrolijk.
‘Wat een platvloerse opmerking!’ riep de leeuwerik verstoord uit, sloeg nijdig zijn vleugels uit en verdween uit het zicht.
Geërgerd wilde Lieveke de pony een bestraffende tik geven. Ze haalde uit en... ontwaakte uit haar droom. Komiek stond over haar heen gebogen en besnuffelde haar gezicht. Ze gaf het dier een kus op de neus en zei lachend: ‘Je bent een eigenwijze pony.’

 

klik

solveigslied