Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 



Helmer

 

...een rasechte Teutoon...

 

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op aanraden van de paardenman was Lieveke lid geworden van een ponyclub. De Fjordenridders. ‘Je leert er misschien niet zo veel als in mijn privé-lessen, maar gezellig is het wel,’ had hij gezegd. ‘Bovendien organiseren die clubs veel onderlinge wedstrijden. Daar kun je een hoop van opsteken. Ik betaal de contributie wel. Cadeautje voor je tweede verjaardag.’
Die verjaardag was de dag waarop met cadeautjes en al werd gevierd dat zij, zoals hij dat noemde, als Komieks verzorgster en ruiter haar intrede had gedaan en die hij tevens had uitgeroepen tot zijn eigen verjaardag en die van Komiek. Erg precies was hij daar niet in. Hij gaf haar het hele jaar door ‘verjaarscadeautjes’, variërend van een bitstuk voor de longeerlijn tot een pot zadelvet.
Met tegenzin had ze zich aangemeld. Ze was niet zo’n clubmens. ‘Bevalt het je niet, dan stop je ermee,’ had hij gezegd.

Zoals wel vaker had hij gelijk gehad. Het was reuze gezellig, vooral op wedstrijden, ook al viel ze niet altijd in de prijzen. Perfect rijden van de verplichte figuren viel niet mee. En als Komiek een slechte dag had, kon ze het helemaal schudden. Ze vond het niet erg. Het ging tenslotte niet om het krijgen van een prijs maar om de sport. ‘Als je maar een leuke dag hebt, dat is het belangrijkste,’ zei de paardenman steeds. Soms kwam hij kijken hoe ze het ervan af bracht. Op zo’n keer eindigde ze op de eerste plaats. Hij had gezegd: ‘In het land van de blinden is éénoog koning. Je klappert met je kuiten of je vliegen moet verjagen en je teugels zijn hangmatten. Van mij krijg je niet meer dan een vijf.’ Toen ze op het Groot Azens Ponyconcours als tweede eindigde zei hij: ‘Proficiat meisje. Eerste prijs. Een acht. Je reed goed en beter dan nummer een.’ Dat was wel weer aardig van hem.

Meestal kwam hij niet kijken. Hij kon het niet nalaten commentaar te geven en dat kwam, meende hij, de gezelligheid niet ten goede. ‘Mijn overwonnen fjordenridder’ noemde hij haar plagend als ze met lege handen thuis kwam. ‘Zou u een ridder willen zijn?’ vroeg ze op een keer. Hij was juist bezig een stal uit te mesten en antwoordde: ‘Zou die mest er minder door gaan stinken?’
‘Wie weet?’ antwoordde ze lachend.
De paardenman stak de riek in de volle kruiwagen, ging op de voerbak zitten en zei: ‘Ridder ben ik, geoefend ruiter. Maar ik ben meer. Op de Oskense Heide noemt iedereen mij De Paardenman, maar dat is niet mijn echte naam. Die luidt, schrik niet: Maarschalk van Brochterbeck van Tecklenburg tot Paderborn.’
‘U meent het...’
‘Ik kan er ook niets aan doen. Dat is de schuld van mijn voorouders.’
‘Sprookje?’
‘Zo waar als ik Maarschalk van Brochterbeck EnZoVoorts heet, de waarheid en niets dan de waarheid. Luister maar.

...Maarschalk van Brochterbeck van Tecklenburg tot Paderborn...

 

 

 

 

LANG geleden woonde er in het dorpje Thysthesysxl in het Land van de Denen een jonge schaapherder. Helmer, een rasechte Teutoon, afstammeling van een volksstam in Oost-Jutland. Hij was fors van gestalte, had vriendelijke, grijsblauwe ogen en een flinke bos blond haar. Dag in dag uit zwierf hij met de kuddes van zijn vader over de glooiende heuvelruggen en zong opgewekt Teutoni, Jutlandse volksliederen. Hij leek volmaakt gelukkig te zijn met zijn eenvoudige bestaan. Maar als de zon achter de horizon was verdwenen, droomde Helmer over verre landen. Op een dag zei hij tegen zijn vader: ‘Vader, ik wil de zon achterna.’
‘Je doet maar,’ antwoordde zijn vader, die zelf ook jong was geweest en wist wat er in een jongemannenhart leefde. Hij gaf Helmer een sterk Jutlands paard en zei: ‘Veel geluk jong.’
De jongen kuste zijn moeder vaarwel en vertrok.
Onderweg ontmoette hij herders die ook droomden over verre verten. Teutonen, net als hij, en Kimbren. ‘Sluit jullie maar bij mij aan,’ zei Helmer. ‘Dat is gezellig.’
De jongemannen gingen naar hun vader, kregen ieder een paard en vergezelden Helmer. Zo ging het keer op keer. Hoe verder ze trokken, des te groter werd de groep avonturiers. Via Het Land van de Germanen en Het Land van de Ostrianen kwamen ze in Het Land van de Latijnen, Romeinen en Osci. Het was in de tijd dat de Romeinen bezig waren de wereld te veroveren. Toen zij die grote groep stoere ruiters zagen aankomen, dachten ze dat die strijd wilden. Ze grepen meteen naar het zwaard. De jongelui schrokken zich wezenloos en sloegen op de vlucht. Vele dagtochten later kwamen ze in Het Land van de Franken, waar ze stuitten op een groot Romeins legerkamp. ‘Laten we Teutoni zingen,’ zei Helmer. ‘Dan weten ze dat wij eenvoudige, vredelievende schaapherders zijn.’ Recht op hun paarden gezeten zongen ze uit volle borst het Jyllandlied.
Romeinen houden van liederen. Ze bezingen met hoge stem de liefde, die ze met vuur bedrijven. Het Teutoonse Jyllandlied kenden ze echter niet. Het klonk hun als een strijdlied in de oren. Toen had je de poppen aan het dansen. ‘Ten aanval!’ riep de legeraanvoerder. De Romeinen grepen hun zwaarden en sloegen erop los. De jongemannen probeerden zich met hun herdersstokken te verweren maar die werden, net als zijzelf, in mootjes gehakt. Een kleine groep Teutonen wist te ontkomen. Onder hen Helmer. ‘Terug naar huis!’ riep hij en gaf zijn paard de sporen.

Om hun paarden te sparen trokken ze zoveel mogelijk door dalen langs de rivieren naar het noorden. Overal waren de Romeinen de baas en dikwijls moesten ze hals over kop vluchten om het vege lijf te redden. In het koninkrijk Azen, waar de Romeinen inmiddels waren vertrokken, konden ze even op adem komen. Koning Bern ontving hen hartelijk op zijn kasteel, waar koningin Hezelinde hen vergastte op een heerlijke visschotel. Uitgerust trokken ze verder.
Terug in Het Land van de Germanen kwamen ze in het Weser Bergland, een mooi gebied dat een beetje leek op het Jutlandse heuvelland. ‘Laten we hier voorlopig blijven,’ zei Helmer die het almaar trekken beu was.

 

 


ij
het riviertje de Eems sloegen ze hun kamp op. Er dreigde echter gevaar. Een legertje Romeinen was hen gevolgd en niet van plan om ook maar één Teutoon levend thuis te laten komen. Ze zetten hun tenten op aan de voet van de Brochterburg, de burcht van koning Brochterbeck en bereidden hun aanval voor.
Koning Brochterbeck, heerser over het Weser Bergland, was woedend dat de Romeinen het hadden gewaagd zijn rijk te betreden. En nota bene hun tenten hadden opgeslagen vlakbij zijn kasteel. ‘Bij Wodan, hoe durven ze!’ brieste hij en trommelde zijn soldaten bij elkaar. 
Toen de duisternis inviel, werden Helmer en zijn kameraden gewaarschuwd en van dikke, eikenhouten knuppels voorzien. De volgende dag traden ze samen met de soldaten van de koning tegen de Romeinen in het strijdperk. Het werd een bloedige slag. Hoewel in de meerderheid, waren de indringers niet opgewassen tegen de met heldenmoed vechtende Teutonen. Alleen een overhaaste vlucht leek nog overlevingskansen te bieden.
Terwijl de andere koene strijders elkaar om de hals vielen en gelukwensten met de overwinning, sprong Helmer op zijn paard en zette de achtervolging in. Zijn vaardigheid als schaapherder in het volgen en doden van wolven die zijn kudde bedreigden, kwam goed van pas. Snel en behendig manoeuvreerde hij zijn paard tussen de bomen en het struikgewas en met zijn eikenhouten knuppel verbrijzelde hij elke helm die hij op zijn weg tegenkwam. Niet één Romein wist te ontkomen. Zo nam hij wraak voor zijn in Het Land van de Franken door zinloos geweld omgekomen kameraden.

Vanachter de kantelen van zijn burcht had koning Brochterbeck de strijd gade geslagen. Nadat de laatste Romeinenschedel was verpulverd, liet hij zijn trompetters aantreden en de overwinningsmars blazen. Daarna ontbood hij Helmer in wie hij een groot krijgsman zag. ‘Je bent moediger dan de moedigste van mijn ruitervolk,’ zei hij waarderend. ‘Als je wilt, kun je mijn maarschalk worden.’
‘Dat is goed,’ zei Helmer, ‘ik hou van paarden.’
De koning begreep niets van dat antwoord. ‘Wat bedoel je?’ vroeg hij.
‘Schalk van uwe maren,’ antwoordde Helmer en wees naar de paarden van de koning.
De koning bulderde van het lachen. Helmer, die niets van oorlogvoeren wist, dacht dat de koning paardenknecht bedoelde. Mare betekent merrie en schalk knecht. Van het hoge maarschalkambt, een rang boven die van generaal, had de eenvoudige schaapherder nog nooit gehoord. De koning begreep dat hoe krijgshaftig de jongeman zich ook had gedragen Helmer geen krijgsman was. ‘Goed dan,’ zei hij, ‘wordt dan maar de schalk van mijn maren’.

Helmer kreeg het toezicht over de koninklijke stallen. Als aanvoerder van de dappere Teutonen viel hem de eer te beurt te worden verheven in de adelstand. De koning schonk hem een kroon met negen parels en bood hem zijn achternicht als vrouw aan.
De kroon zette Helmer op het hoofd van zijn trouwe viervoeter, die hem door zijn snelheid en kracht uit vele netelige situaties had gered. De parels gaf hij aan Anna Maria Theresia, de achternicht van de koning, gravin van Tecklenburg tot Paderborn. Hartveroverend mooi en vruchtbaar als Moeder Aarde schonk ze hem negen juweeltjes van kinderen, alle rasechte Teutonen met blauwe ogen en blond haar. Maarschalk werd hun achternaam naar het beroep van hun vader, maarschalk van Brochterbeck van Tecklenburg tot Paderborn. Want door zijn huwelijk met Anna Maria Theresia was Helmer ook stalmeester geworden van haar paarden-, koeien- en schapenstallen.

Eén van hun nakomelingen had Helmers zin voor avontuur geërfd. Hij bouwde een huifkar, spande er twee fjordenpony’s voor en trok erop uit. Na veel omzwervingen belandde ook hij in het koninkrijk Azen, waar een struise Oskense schone zijn pad kruiste. Paardengek als hij, zetten ze een fokkerij op van fjordenpony’s die in Het Land van de Noren en in Het Land van de Denen werden gebruikt om voor de ploeg te spannen. Ze waren zeer gewild omdat ze niet alleen de ploeg konden trekken, maar ook een mooie verschijning waren voor de zondagse sjees. Gemeten vanaf het hoogste punt op de rug, waren ze niet veel hoger dan de tot dan toe in de landbouw gebruikte ossen. Door te fokken op grootte ontstonden er later pony’s met een schofthoogte van bijna anderhalve meter die ook als rijdier konden worden gebruikt. Niet alleen door kinderen, ook door volwassenen.
'En van die fokkers stam ik af,’ zo besloot de paardenman zijn verhaal.

 

‘Klinkt goed,’ zei Lieveke met een wantrouwend lachje. ‘Als ik het goed begrijp, bent u dus een graaf of zoiets.’
De paardenman antwoordde: ‘Rond 1800, toen keizer Napoleon aan de macht was, is de burgerlijke stand ingevoerd, destijds een dik boek waarin namen, huwelijken, geboorten en dergelijke van alle inwoners werden opgeschreven. Veel adellijken, die meenden dat Napoleon onverslaanbaar was en heel Europa Frans zou worden, lieten de bij hun naam behorende titel alvast in het Frans vertalen. Per vergissing gebeurde dat ook met de titel van de toenmalige Maarschalken van Brochterbeck van Tecklenburg tot Paderborn.’
‘Comte dus,’ zei Lieveke, die met een 7,9 de beste van de klas was in Frans.
‘Conte,’ antwoordde de paardenman grinnikend,  met de n van Nico.
Lieveke lachte zuinig met hem mee.  Comte betekent graaf, conte vertelling of sprookje.  De paardenman was er weer eens in geslaagd haar voor de gek te houden. De schalk! Maar ongemerkt had hij haar ook een wapen tegen zijn plagerijen gegeven. Noemde hij haar ‘overwonnen fjordenridder’ dan sprak ze hem aan met ‘maarschalk van Komiek’ en droeg hem op voor straf de stal uit te mesten. Wat hij nog deed ook. Soms.


klik

...Schalk...