Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 


Het Land

van

Immer

 

 

 

...een immens groot gebied tussen de sterren...

 

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


‘Nergens is de hemel zo blauw als boven de Oskense Heide,’ zei de paardenman en sloeg de paraplu uit. Lieveke nam de houten schraag van hem over, zette die voor Komieks stal, legde haar zadel erop, schroefde de pot leervet open en ging aan de slag. De paardenman bond het hoofdstel met een strotouwtje aan een spijl en ging met leerzeep aan de gang. Gezellig, vond hij, zo samen bezig zijn, het geruis van gestaag vallende regen op de achtergrond. Waar Lieveke met haar gedachten was, werd duidelijk toen ze het stilzwijgen verbrak. ‘Gelooft u in de Hemel, paardenman?’
‘Deze zomer begin ik eraan te twijfelen. Wolken, wolken en nog eens wolken. En allemaal een natte broek,’ grapte de paardenman.
Lieveke draaide zich naar hem toe en smeerde een klodder vet op zijn schoenen.
De paardenman grinnikte. ‘O sorry, Hemel met een hoofdletter bedoel je?’
Lieveke reageerde niet.
‘Nou, luister. Je zult het niet geloven, maar wat ik nu ga vertellen is écht gebeurd.’
‘Net als prinses Blommeke zeker.’
‘Pssst. Luister!

Tijdens mijn dagelijkse wandeling op de Oskense Heide rust ik altijd even uit op een bankje bij het Perenven. Op een dag voelde ik mij niet zo goed en vroeg me af hoe lang ik nog op de Aarde zou leven en hoe het leven er na de dood uitziet. Of er wel leven is na de dood? Opeens streek een vogel neer aan mijn voeten. Een paradijsvogel. ‘Aan het piekeren, paardenman?’ vroeg hij.
Ik vertelde waarover ik nadacht.
‘Maak je geen zorgen, Het Land van Immer is jouw toekomst,’ zei hij.
‘Daar weet jij net zo min iets vanaf als ik,’ zei ik.
‘Ik kom er net vandaan,’ zei de paradijsvogel. ‘Ik zag jou zitten en dacht, komaan, laat ik de paardenman even geruststellen.’
Ik werd nieuwsgierig en vroeg hem mij over Het Land van Immer te vertellen. Eerst wilde hij niet. ‘Ik ben een zangvogel, geen praatvogel,’ zei hij. Toen ik aandrong, zei hij: ‘Oké, omdat jij het bent.’ En hij vertelde het volgende.

 

 

...ponyrijden...

 

HET Land van Immer is een immens groot gebied tussen de sterren waar iedere sterveling op een dag terecht komt. Na het slaken van de laatste zucht verlaat de ziel het lichaam die zonder dralen door een Engel naar de afdeling Wedergeboorte wordt gebracht. Dat is even dolle pret. Nieuwe lichamen te kust en te keur, onvoorstelbaar mooi, volmaakt van vorm en van top tot teen gaaf. Niet één pukkeltje, puistje of rimpeltje, geen onsje te veel of te weinig en alles precies op de juiste plaats. Ze zijn er in alle kleuren van de regenboog en omdat ze eeuwig mee moeten van uitzonderlijk hoge kwaliteit.
Wie altijd braaf heeft geleefd, mag meteen ook schitterende kleren uitzoeken en wordt met bazuingeschal Het Land van Immer binnengeleid. Het komt zelden voor. De anderen moeten zich hullen in een boetekleed, een grauwe pij die niet meer uit mag tot alle misstappen zijn uitgeboet. Aan het werk! Dweilen, schrobben, afwassen, straatvegen, putjesscheppen en noem maar op. Maar eerst moet de eigen ziel worden schoongemaakt. Dat gebeurt op de afdeling Reiniging. Hier komt men erachter wat de Alminnende Heerser bedoelt met ‘zand erover!’ Had Hij niet wat leukers kunnen bedenken?, vraagt vrijwel iedere nieuwkomer zich hier af. Een typische boetelinggedachte. Op de Aarde denkt de mens dat het allemaal wel zal meevallen. God is immers grenzeloos barmhartig, goedertierig en zo. Dat is ook zo, maar hij is ook oneindig rechtvaardig. Ieder wordt ter verantwoording geroepen en beoordeeld op zijn goede en slechte daden - gelijke monniken, gelijke kappen.

De afdeling Reiniging is te vergelijken met de Sahara. Zand, zand en nog eens zand en, in Het Land van Immer althans, onbeschrijflijk saai. Hier wacht de boetelingen een klus die hen tot in alle eeuwigheid bijblijft: het grondig kuisen van de ziel. Schuren tot ze blank is als een kinderzieltje. Lukt het niet met zand, dan krab je maar met je nagels tot er geen vlekje meer is te zien. Al het vuil wordt op een gouden weegschaal gelegd en het gewicht bepaalt de strafmaat.
Het wegen is een heel precies werkje dat met engelengeduld wordt gedaan. Over de lange wachtrijen windt niemand zich op, ieder heeft een eeuwigheid de tijd.
Na elke honderdste ziel wordt het werk even gestaakt. De gewogenen worden afgemarcheerd naar de afdeling Boetedoening, waar schrobbers, zwabbers, dweilen, afwasborstels en emmers met groene zeep worden uitgedeeld. Die is vriendelijk voor het milieu en heilzaam voor de mores. Daarna gaat de tocht naar Het Land van Immer, waar ieder die klussen krijgt toegewezen waaraan hij of zij de meeste hekel heeft. Wie zich vol overgave op het werk stort, kan voor de duur van de straftijd rekenen op strafverzachting in de vorm van een zestigurige werkweek en jaarlijks twee weken vakantie in het Tehuis voor Schepsels van Goede Wil.

Er zijn drie categorieën boetelingen: de Berouwvollen, de Berouwlozen en de Toppers. De Berouwvollen, die op de Aarde hun best hebben gedaan braaf te leven en hun fouten goed te maken, komen er genadig vanaf. Staat er nog een kleinigheidje op de kerfstok, dan is het met een dagje, weekje of hooguit een maandje vurig vagen, Immers voor vlijtig poetsen, wel bekeken. Berouwlozen moeten vaak jaren werken, sommige wel meer dan duizend jaar. Dat kan met recht een hel worden genoemd. Het begeerde geluk blijft verholen tot alle misstappen zijn weggepoetst. 

Wie God en gebod helemáál aan zijn laars heeft gelapt, komt erachter dat met Hem niet valt te spotten. Daartoe behoren tirannen, volksmenners, massamoordenaars en andere topmisdadigers. Zij hoeven voorlopig niet te werken.
Ze worden, net als op de Aarde, op een voetstuk geplaatst, hier hutje bij mutje op het Plein van de Toppers. Daar zijn ze verzekerd van een goed uitzicht op het geluk dat ze anderen onthielden. Pas als iedereen die ze verdriet hebben gedaan hen heeft vergeven, mogen ze van hun sokkel af en aan hun werkstraf beginnen. Daar gaan wel een paar eeuwtjes over heen, dat snap je wel - in Het Land van Immer komt boontje om zijn loontje.
Overigens, niet alleen boetelingen werken, er zijn ook gelukkigen die niets liever doen. Die heb je op de Aarde ook: de werkverslaafden. Sommige blijven dat eeuwig, maar de meeste zien al snel in dat er leukere dingen zijn te bedenken. 

Voor de eeuwiggelukkigen is Het Land van Immer het fijnste land dat er bestaat. Alle mensen en dieren zijn ontzettend aardig voor elkaar. Er is nooit ruzie, ziekte en pijn bestaan er niet en het is er altijd mooi weer. Dat wil niet zeggen dat het nooit regent, sneeuwt of vriest. Dat mag je zelf bepalen. Houd je ervan kletsnat te worden in de regen of met rubberen laarzen door de modder te sjouwen? Je hoeft er maar aan te denken en het gebeurt precies zoals je wilt. Heb je zin om te schaatsen in de zon, dan denk je daaraan en woeps!, je glijdt als een ijsprins of ijsprinses over een zonbeschenen, adembenemend schitterend mooie ijsbaan.
In Het Land van Immer is alles adembenemend schitterend mooi. Er is geen stank van auto’s, geen lawaai van bromfietsen of vliegtuigen en fietsen zijn er evenmin. Logisch. Om ergens te komen hoef je er alleen maar aan te denken. Wil je toch graag fietsen? Denken!
Wie eeuwig leeft, hoeft niet te eten. Wil je het toch? Een cola en een frietje-mèt bijvoorbeeld of een milkshake en een broodje hamburger? Nog voor je bent uitgedacht, staat het voor je neus. Je kunt ook met je kameraden naar een gezellig restaurant gaan en je laten verrassen door de kok. Keus te over.

Het woord verveling is in Het Land van Immer onbekend. Er is zoveel te doen, je kunt je er gewoonweg niet vervelen. Houd je van kermis? Sprookjestuin? Wildwaterbaan? Golfslagbad? Zeilen? Surfen? Skiën? Skeeleren? Skaten? Paardrijden? Of van typisch Immerse sporten zoals stierrijden, modderbadvechten met jonge leeuwen, of snelheidsraces met vliegende draken? Zeven dagen per week als je wilt. Alles wat je kunt bedenken is er, je staat nergens in de rij en alles is gratis. Een dagje helemaal niks, lekker lui in je bed blijven liggen, kan ook. Niemand die de dekens van je aftrekt en zegt dat je iets moet gaan doen.
Wie er behoefte aan heeft even terug te gaan naar de Aarde staat niets in de weg. Voor even buurten is geen toestemming nodig, een langer bezoek moet worden aangevraagd bij Petrus. Dat is de portier. Zo’n verzoek wordt zelden ingediend en evenmin zelden geweigerd. Eeuwiggelukkigen missen niets en niemand. Bovendien draait zo’n bezoek gewoonlijk uit op een teleurstelling, in hun nieuwe lichamen worden ze zelfs door hun beste vrienden niet herkend.

Nu gaan er elke dag ik weet niet hoeveel mensen dood. Je zou je kunnen afvragen of er in Het Land van Immer voldoende werk is voor het toenemende aantal berouwlozen. Geen zorg, werkloosheid bestaat alleen in de dromen van de boetelingen. Het Land van Immer is zo ontzettend groot dat de Aarde er een punaise bij lijkt. Onmeetbaar zijn de straten, parken en speelplaatsen geplaveid met de kostbaarste edelstenen, ontelbaar de huizen van goud en zilver met ramen van kristal of briljant. Ieder bedenkt zijn eigen droomhuis. Zo zie je er, God zij gedankt, ook een heleboel boomhutten, sneeuwhutten, indianententen en romantische houten huisjes met rieten daken. Waar ze ook van gemaakt zijn, de straten, huizen, hutten en tenten moeten er altijd piekfijn uitzien. Daar mogen de boetelingen zich op uitleven.

 

...huizen van goud en zilver...

 

 

 

Voor de meeste mensen bestaat er niets mooiers dan Het Land van Immer. Daarmee vergeleken ziet de Hemel er gewoontjes uit: bossen, meren, watervallen, kabbelende beekjes, heuvels en dalen begroeid met zeeën van bloemen. Je kunt de Hemel vergelijken met de Aarde voordat God er mensen op zette. Wie van alle geglim en geglitter de neus vol heeft en de andere genoegens van Het Land van Immer is ontgroeid, kan daar het volmaakte geluk gaan beleven. Er vloeit echter heel wat water door de Styx voordat de gemiddelde eeuwiggelukkige daaraan toe is. God heeft geen haast. Vanuit zijn Hemelse woonstede zorgt hij als een vader en tegelijk als een moeder voor het welzijn van zijn schepselen, daarin bijgestaan door Engelen en Heiligen.

Heiligen zijn mensen die op de Aarde buitengewoon goed hebben geleefd. Die gaan, als hun tijd op de Aarde er op zit, meteen naar de Hemel. Engelen zijn Hemelse wezens. Ze zijn er in alle soorten en maten. De geliefdste zijn de Serafijnen. Met wonderschoon klinkende stemmen zingen ze onophoudelijk prachtige liederen. Cherubs, beter bekend als Cherubijnen, zijn vriendelijk, voorkomend en behulpzaam, maar hun strenge uiterlijk boezemt ontzag in. Dat past bij hun taak: zij bewaken de Hemel en Het Land van Immer, letten erop dat de boetelingen niet de kantjes eraf lopen en dat bij de zielenschoonmaak alle vuiltjes op de weegschaal komen. Ook op de houding van de Aartsengelen valt niets aan te merken. Alle Hemelse wezens zijn aardig, maar ieder draagt het stempel van zijn uitverkiezing.
Aartsengelen zijn managers, bestuurders zogezegd. Samen met de Heiligen voeren zij Gods ideeën uit. Niet zomaar. God mag dan de Hemelse Heerser zijn, hij is geen alleenheerser. Niet meer tenminste. Hoe goddelijk zijn ideeën ook zijn, in mensenogen zijn ze soms wat hoog gegrepen. Je kunt wel iets bedenken, het moet ook kunnen worden uitgevoerd. Mensen en Engelen, die dichter bij de dagelijkse praktijk staan, hebben daar zo hun eigen ideeën over. Verstandige vader als God is, geeft hij zijn schepsels de kans erover mee te praten. En met een welwillend oog kijkt hij naar hun eigen ideeën, oneindig geduldig en met een allesbegrijpende glimlach. Zo is Het Land van Immer ontstaan, een idee van de Raad van Hemelse Jongeren. Het Elysium en het Voorgeborchte vonden ze maar ouderwetse, kindonvriendelijke opvangcentra voor zielen die nog niet toe zijn aan Hemels geluk. Hun idee werd, zoals je begrijpt, goedgekeurd.

Voor het geval je zelf eens een idee hebt, het werkt zo:
Alle ideeën worden voorgelegd aan De Club van Denkers, de knapste koppen van het heelal. Samen met de Club van Praters vormen zij de Hemelse Democratie. De Denkers bedenken en denken na over ideeën, de Praters vergaderen erover. Voors en tegens worden tegen elkaar afgewogen, waarna een beslissing wordt genomen. Pas dan worden de ideeën uitgevoerd. Deo volente natuurlijk, als God het wil. De democratische weg is niet de snelste, inspraak vraagt nu eenmaal tijd, maar in tegenstelling tot wat op de Aarde dikwijls gebeurt, wordt niet oneindig over een onderwerp doorgezeurd. Dat schiet niet op.

Om hun werk goed te kunnen doen, mogen al die Hemelse denkers, praters en doeners niet voor de voeten worden gelopen. Zo maar naar de Hemel gaan, even binnenwippen bij God, is er niet bij. Bezoek alleen op afspraak; men wende zich tot Petrus. Zo gemakkelijk hij akkoord gaat met een bezoekje aan de Aarde, zo moeilijk is hij te bewegen toestemming te geven voor Hemelbezoek. Logisch, God is geen kleuterjuf die op elk zeer vingertje een pleister plakt.
Wie zonder Petrus’ toestemming de Hemel insluipt, komt van een koude kermis thuis. Gods huis wordt bewaakt door Cherubs gewapend met een vlammend zwaard. Wie de regels overtreedt, slaan ze er ongenadig mee om de oren. Sommige boetelingen, vooral types uit de zakenwereld, menen dat ze de regels met een ‘big smile’ aan hun laars kunnen lappen. Even met een vlotte babbel een stuk van hun straf afkletsen. Vergeet het maar. Mochten ze de Cherubs al voorbijkomen, God is niet van lotje getikt. Zijn antwoord is voorspelbaar: wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten!
Domme, ongehoorzame kinderen, hij heeft er miljarden. Wat moest er van hen worden als hij zijn handen van hen terugtrok? Zelfs na zo’n oerdomme overtreding van het Hemelverbod blijft hij nog barmhartig. Hij zou immers ook kunnen zeggen: je weet dat je niet mag zeuren over een straf die je hebt verdiend, voor straf doe ik er nog een paar dagen bij. Dan ben je echt in de aap gelogeerd. God bestaat eeuwig. In zijn ogen is duizend jaar niet meer dan één dag.
Petrus is van de gang van zaken op de hoogte. Mede uit eigen ervaring kent hij alle mensenwensen en mensenstreken. Komt nu zo’n kletsmajoor bij hem om een afspraak met God te maken, dan schrijft hij die niet eens op. Dan kan het wel eens gebeuren dat zo’n persoon eigenwijs is en de Hemel binnensluipt. Als je in Het Land van Immer iemand ziet met vlammend rode oren, dan weet je hoe dat komt.
'Kortom,' zo besloot de paradijsvogel, 'voor de eeuwiggelukkigen is Het Land van Immer een altijddurende mooie droom. En mocht er iets aan het geluk ontbreken, dan zorgt Petrus er wel voor dat alles in orde komt.'

Turend over zijn halfronde brilletje naar de ernstig kijkende Lieveke zei de paardenman: ‘Ik vroeg aan de paradijsvogel of ik na mijn dood niet rechtstreeks naar de Hemel kon. Zijn snavel viel open van verbazing. Ik vervolgde: Als ik het goed begrijp is Het Land van Immer een groot pretpark met op iedere straathoek een friettent. Gratis entree voor de eeuwiggelukkigen en de bajesklanten ruimen de rommel op. Een paradijs voor kinderen!’
Voor zover dat bij een paradijsvogel mogelijk is, verscheen er een beminnelijke glimlach op zijn snuitje en hij zei: ‘Leeft niet diep in ons allen het verlangen eeuwig kind te mogen zijn?’ Daarna sloeg hij zijn vleugels uit en vloog terug naar Het Land van Immer.


‘Je zult maar duizend jaar moeten poetsen,’ verzuchtte Lieveke en legde de borstel waarmee ze het zadel had ingevet aan de kant.
‘Maak jij je maar geen zorgen meisje,’ zei de paardenman. ‘Goede ponyverzorgsters zijn dun gezaaid. Die stuurt Petrus rechtstreeks naar de Eeuwige Paardenvelden.’
Lievekes gelaatstrekken ontspanden zich. ‘En u, paardenman, waar gaat u naar toe?’
De paardenman kuierde door de gang langs de stallen en aaide in het voorbijgaan over de hoofden van de pony’s. ‘Heb je gezien hoe hun stallen eruit zien?’
‘Vies,’ antwoordde Lieveke met opgetrokken neus.
‘Net als jij ga ook ik rechtstreeks naar de Eeuwige Paardenvelden. Niet, zoals jij, om dag in dag uit gezellig samen te zijn met onze lievelingsdieren. Als boete voor de misstappen die ik in mijn leven heb begaan, zal ik worden aangesteld als stalmeester met de opdracht luie ponymeiden achter de broek te zitten, die dagelijks de mest van duizenden paarden en pony’s moeten opruimen. Ik kan je verzekeren dat dat, net als op Aarde, een zware opgave is. Een heel zware. Voor mij tenminste. Want als ik ergens een hekel aan heb, is het wel om ponymeiden duidelijk te moeten maken dat houden van dieren meer inhoudt dan het geven van een knuffel en verwennen met een extra schepje paardenbrok.'




klik

Immers