Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 



Isolde

...Helena zag rood als gekookte kreeft...
 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


‘Kon Komiek maar praten,’ mopperde Lieveke toen de pony met naar achter liggende oren en wild zwaaiende staart door de manege jakkerde.
‘Waarom zou je dat willen?’ vroeg de paardenman die hoofdschuddend toekeek.
‘Dan kon ze me vertellen waarom ze de hele tijd dwars ligt.’
‘Dat kan ik jou ook wel vertellen. Ze heeft vandaag absoluut geen zin in saaie dressuuroefeningen. Ga de bossen maar in, daar knapt ze van op. Of vertel haar een sprookje, het zal je verbazen hoe vrolijk ze daarvan wordt. Pony’s zijn dol op verhaaltjes. En als het nakomelingen zijn van Helena’s Isolde, is de kans groot dat zij jou ook nog een verhaal vertellen.’
‘Van wie stamt Komiek eigenlijk af?’
‘Van Isolde, natuurlijk.’
‘Echt?’
‘Heb ik jou ooit sprookjes verteld?’
‘Nee hoor, alleen waargebeurde geschiedenissen...’
‘Zet Komiek maar op stal, ze heeft voor vandaag genoeg gedaan. Dan zal ik jou het verhaal vertellen dat haar overoverovergrootmoeder Isolde op een van Helena’s sprookjesverteldagen vertelde. Dan weet je meteen ook hoe het met Helena is afgelopen.’
Terwijl Lieveke de zweetplekken droog wreef met een handvol stro, legde de paardenman strobalen voor Komieks stal en maakte het zich gemakkelijk.

 

HET was, zo begon hij, heerlijk warm zomerweer toen het Isoldes vertelbeurt was. In tegenstelling tot haar vriendje Joepie de kruisspin vertelde Isolde graag een verhaal. Niet over verheven zaken of zoiets, dat was niets voor haar. Zelfs Het Land van Immer interesseerde haar niet. Met een verzorgster als Helena was voor haar de aarde al een paradijs. Volop gras, hooi, haver, altijd vers water, wat wil een pony nog meer? Af en toe lekker dollen in wilde renpartijen over de hei, daarover had ze geen klagen. Een schone stal natuurlijk waarin ze bij slecht weer kon schuilen, een boom waaronder ze schaduw kon vinden; het was er allemaal. Daarnaast was er ook nog Sprookjesverteldag. Kortom, voor Isolde was het leven één groot feest.
Het verhaal dat ze vandaag zou gaan vertellen was geen verrassing, ze vertelde steeds hetzelfde. Wel veranderde ze er steeds iets aan, zodat het ook een beetje nieuw was. Oud of een beetje nieuw, de dieren vonden het altijd leuk. Aan Helena was het niet besteed, die kende het inmiddels van binnen en van buiten. Als het Isoldes vertelbeurt was, vond zij het tijd voor een dutje. Om wat kleur op haar blanke huid te krijgen, trok ze haar kleren uit en vlijde zich neer in op de manen van Anton de leeuw, die als een waaier lagen uitgespreid. ‘Mag wel, hè Anton? Je hebt zulk heerlijk zacht haar,’ fleemde ze en kriebelde hem op zijn kop.
‘Je doet maar,’ bromde Anton die het wel gezellig vond. Helena sloot haar ogen en was even later in dromenland. Isolde begon:

 

...waarin een prachtige, volslanke fjordenmerrie liep...

 

 

‘ER was eens een boom. Hij werd geboren uit een eikel. Het eikje groeide aardig maar niet bijster snel. Hij stond in de schaduw van zijn moeder. Op een dag haalde de tuinman hem daar weg. ‘Tijd om te leren je eigen eikeltjes te doppen, m’n jong,’ zei hij. Hij groef het boompje uit en trok het met een ferme ruk uit zijn geboortegrond. Dat deed pijn, maar het eikenjong vertrok geen spier. De tuinman legde hem in de kar, klom op de bok en klikte met zijn tong. Het paard sprong in draf.
Het eikje keek nieuwsgierig om zich heen. Koeien en schapen, geiten, eenden en zwanen flitsten langs hem heen, bomen van allerlei rassen wuifden naar hem. Opgewonden ritselde hij met zijn bladeren.
Veel te vroeg naar zijn zin stopte de kar. De tuinman groef een gat, zette het eikje erin, bedekte zijn wortels met aarde en mikte er een emmer water overheen. ‘Zo m’n jong, het ga je goed!’ zei hij en vertrok.
Het jonge boompje stond in de volle zon en moest wennen aan het felle licht. Pas tegen de avond kon hij zijn nieuwe woonplaats goed bekijken. Hij stond tegenover een waterput aan de rand van een bosweide waarin een prachtige, volslanke fjordenmerrie liep van zeer voorname komaf. Ze was nauw verwant met Fordin, het lievelingspaard van Vrouwe Isabella, de trouwe gade van de edele ridder Albertus, vriend en raadsman van koning Bern. Net als Fordin had ze een oogverblindend mooie vacht, goudgeel en glanzend als Isabella’s rijrok, vanaf de schoft tot de staart opgesierd met een charmante, zachtbruine aalstreep en pikante zebrastrepen op de slanke benen. Haar grappig opstaande, kortgeknipte manen en haar zachte lieve ogen maakten haar onweerstaanbaar in de ogen van alle fjordenhengsten. En verder kon ze net zo mooi hinniken als Helena zingen kan.’

Isolde zweeg een ogenblik. Dat had ze toch maar even mooi van zichzelf gezegd.
‘En verder?’ riep Joepie spottend vanuit zijn web. IJdel als de pony was, verwachtte hij dat ze door zou gaan met opscheppen over haar eigen onvolprezen schoonheid. Zijn spot trof doel. Isolde keerde terug naar het verhaal over de boom.

‘Na een tijdje begon het eikje bladeren te verliezen. Hij probeerde ze uit alle macht vast te houden. Tevergeefs. Ten einde raad riep hij om zijn moeder. Die kwam niet. Toen barstte hij in tranen uit.
‘Wel heb ik van mijn leven!’ riep een buurboom uit. ‘Een jankende eik. Hoe kan het bestaan?’
Een treurwilg op leeftijd. Het eikenjong hield meteen op met huilen en wierp hem boze blikken toe. ‘Moet jij nodig zeggen!’ viel hij uit. ‘Als er een jankerd is, ben jij het wel!’
‘Logisch,’ antwoordde de treurwilg kalm, ‘ik ben een stuk verdriet, dat is nu eenmaal mijn roeping. Maar jij hoort een symbool te zijn van trots, schoonheid en kracht. Daar breng je tot nu toe niet veel van terecht.’
‘Daar kan ik ook niets aan doen,’ verdedigde het eikje zich. ‘Ik verlies al mijn bladeren.’
‘Bij oude eiken is dat normaal, maar niet bij een jonkie. Ben je ziek of zit er soms kaalheid in de familie?’
‘Mijn moeder heeft de mooiste kroon in heel eikenland,’ pochte het eikenjong. Daarna vertelde hij over de tuinman, de schaduw van zijn moeder en de indrukwekkende reis naar zijn nieuwe woonplek.
‘O, ik snap het al,’ zei de treurwilg. ‘Typisch geval van wortelbeschadiging. Je haarwortels zijn onderweg natuurlijk uitgedroogd. Dat is bar slecht voor je gezondheid.’
‘Bedankt voor je uitleg, maar wat moet ik ermee?’ vroeg het eikje bij wie de tranen al weer opwelden.
‘Ik zal eens even nadenken,’ antwoordde de treurwilg. Na een tijdje zei hij: ‘Er komen alleen maar treurige gedachten in mij op. Ik denk dat je spoedig dood gaat. Bid maar tot de Heilige Eik. Baat het niet, schaadt het niet.’
Het eikje rilde van ontzetting en werd overmand door een onuitsprekelijk gevoel van eenzaamheid. Hij boog nederig zijn bladloze kroon, vouwde zijn twijgjes en bad om vergeving van zijn kleine zonden. Bitter wenend gaf hij zich daarna over aan de wil van Moeder Natuur. Daar werd de treurwilg intens treurig van. Uit al zijn poriën welden tranen op die de aarde doordrenkten met zijn medelijden. De dorstige eikenwortels zogen ze gretig op en gaven de jonge boom nieuwe levenskracht. Zo werd het leven van het eikje gered en kon hij uitgroeien tot een boom van een boom met een keiharde bast en een prachtige bladerkroon.

 

Willibrordusboom

Kijk, daar staat hij!’ riep Isolde en wees naar de Willibrordusboom in wiens schaduw de meeste toehoorders naar haar hadden geluisterd.
Genietend van het applaus maakte Isolde een buiging en hinnikte dankbaar. Haar gehinnik ging echter over in een angstige schreeuw. Meegesleept door haar eigen vertelling, had ze niet gezien wat recht onder haar neus was gebeurd. Helena, neergevleid op Antons manen, had in de bloedhete zon gelegen en zag rood als gekookte kreeft. 
Joepie kwam als een razende zijn web uitgerend. ‘Ach Heleentje, wat ben je toch een dom kind,’ riep hij hoofdschuddend uit.
Anton trok voorzichtig zijn manen onder haar uit en keek met gemengde gevoelens naar het deerlijk verbrande hoopje mens. De geur van vers, onbedorven vlees drong zijn neus binnen. ‘Die is op weg naar Het Land van Immer. Als jullie het goedvinden, zal ik haar reis bespoedigen,’ gromde hij gelaten.
Met een felle uithaal van haar achterbenen maakte Isolde duidelijk dat ze zijn ridderlijke aanbod niet op prijs stelde. De leeuw tolde meters ver weg. Hij verbeet zijn woede om te voorkomen dat Petrus bij zijn terugkomst in Het Land van Immer met een boetekleed zou zwaaien. De pony had immers slechts een daad gesteld van liefde, aanhankelijkheid en trouw.
‘Geen paniek!’ riep de os van Osken die het hoofd koel hield. ‘Laten we als verstandige dieren handelen. Helena dient terstond ende onmiddellijk in de schaduw te worden gelegd. Haar verbrande huid moet bedekt worden met een genezende zalf. Verder moet zij lange tijd rusten. Anton!’ beval hij de leeuw, ‘leg Helena voorzichtig op mijn rug! En jij Joepie, jij gaat met mij mee.’
Likkebaardend voldeed Anton aan het verzoek. ‘Het ga je goed m’n lekker dier,’ fluisterde hij en maakte zich uit de voeten, want Isolde stond op scherp. Joepie kroop in de nek van de os, die zo snel als zijn oude benen het toelieten naar zijn stal holde. Daar liet hij Helena van zijn rug afglijden op het dikke, zachte, gouden tapijt. De gemene stralen die de zon op haar had afgevuurd, staken nog in haar huid. Als een spiegel kaatste de gouden boom hun felle licht terug. Daar konden de stralen niet tegen, ze verschroeiden jammerlijk in hun eigen hitte. ‘Breng nu de genezende zalf op haar aan,’ zei de os tegen Joepie. 

‘Ik heb geen zalf,’ snotterde de spin.
‘Houd op met dat nutteloze gegrien,’ bromde de os verstoord. ‘Weef een web om het kind. Jouw draden zijn kleverig als zalf.’
Daar had Joepie niet aan gedacht. Meteen begon hij aan het reusachtige karwei. Nadat hij de laatste draden uit zijn kleine lijfje had geperst, zag Helena er uit als een mummie. Voorzichtig gaf hij een kusje op haar zwartgeblakerde lippen. Daarna kroop hij op zijn laatste benen naar huis.

Isolde stond met gebogen hoofd te treuren in een hoekje van de stal. Ze wilde eten noch drinken. Joepie ving een vette vlieg en gaf haar die. ‘Je moet goed eten Isolde, anders ga je dood,’ zei hij bezorgd. Maar Isolde wilde de vlieg niet.
Zeven dagen en zeven nachten gingen voorbij. Toen ontwaakte Helena uit haar diepe slaap. Verwonderd keek ze om zich heen. Dat hemelsblauw, al dat goud, dat was onaards. ‘Ben ik nu dood?’ vroeg ze ongelovig. 'Ben ik nu in Het Land van Immer?'
'Nee, maar het had niet veel gescheeld. Je zag er uit als een gebraden kip,’ antwoordde de os.
‘Een kip?’ lachte Helena, die nu de nieuwe stal van de os herkende.
‘Een meisje met zo’n blanke huid moet niet in de zon gaan liggen. Dan handelt ze als een kip zonder kop,’ zei de os bestraffend.
‘Excuus,’ zei Helena, ‘ik beloof dat ik het nooit meer zal doen.’ Ze sloeg het spinrag van zich af en keek naar haar herboren huid. Die was weer blank als sneeuw, maar haar voorheen zo gladde vel was nu bedekt met donzige haartjes. Verrast betastte ze haar huid en riep verrukt uit: ‘Het lijkt wel lamsvacht!’
De os opende de staldeur en zei: ‘En nu eruit! Voorlopig wil ik je hier niet meer zien!’
Helena gaf hem een dikke pakkerd en bedankte hem voor de goede zorg.

Het weerzien met Isolde was ontroerend. De pony hinnikte zo hoog en zo luid dat de ramen van de huizen tot in de verre omgeving aan diggelen vielen. Helena sprong op haar rug en samen maakten ze een wilde rondgang door de wei. Daarna vulde ze de ruif met hooi, deed een schep haver in de voerbak en begon de pony stevig te borstelen.
Joepie keek vanuit zijn web toe. Helena wierp hem een kushandje toe en zei: ‘Dank je wel Joepie voor mijn mooie haartjes. Ik zal een liedje voor je zingen.’
Joepie trok zich verlegen terug in zijn hoekje.

De os had zijn plaats op het tapijt weer ingenomen. Eindelijk kon hij met een gerust hart een dutje doen. Hij glimlachte in zijn slaap toen de stem van Helena als een engel van kristal zijn stal binnenzweefde. De zuidenwind droeg haar lied naar Numaga, waar het Anton de leeuw bereikte op het moment dat hij Het Gulden Huis binnenging. Hij strekte zich uit op zijn leger, maar kon de slaap niet vatten. Na lang peinzen besloot hij zijn avontuur op aarde als beëindigd te beschouwen. Hij zou terugkeren naar Het Land van Immer om er voor eeuwig te gaan genieten van de herinnering aan Helena’s wonderschone stem en haar overheerlijke, onbedorven lichaamsgeur. Want nadat hij die had geroken, kon hij geen hap verdorven mens meer door zijn keel krijgen.

In de jaren die volgden groeide het meisje Helena uit tot een rijpe, jonge vrouw wier schoonheid de kunstenaars van Hongerveld inspireerde tot het scheppen van meesterwerken. Onder hen Pierre Guillaume, een telg uit een geslacht van verarmde Boergondische landadel, die tot over zijn oren verliefd op haar werd. Hij verborg zijn gevoelens voor haar omdat hij haar slechts een arm kunstenaarsbestaan kon bieden.
Zijn enige rijkdom was een zilveren brandewijnkom, een erfstuk uit lang vervlogen tijden. Aan het wapen dat daarop was gegraveerd, was te zien dat de oorspronkelijke bezitter betere tijden had gekend. Er stonden drie klavers op die duidden op landbezit, een ridderhelm, een kroon, een adelaar en een brandend hart. Dat hart herinnerde aan een zekere Aurelius, een geleerde man wiens hart brandde van verlangen de hoogste wijsheid te vinden. Toen Pierre tot de jaren van verstand was gekomen, ging ook hij daar naar op zoek. Naar het voorbeeld van Aurelius trok hij zich terug in een klooster. In gewijde stilte, waarin slechts het geruis van monnikspijen was te horen, bestudeerde hij jarenlang dikke, wijsgerige boeken, maar veel wijzer werd hij er niet van. Tenslotte trok hij de wijde wereld in en doolde rond als een ridder op zoek naar de Heilige Graal. Zijn tocht voerde over duizend paden en paadjes, maar vinden kon hem niet. Vraag niet hoe, op een dag kwam hij in een wonderlijk dorpje op de Oskense Heide.

 

 

Hongerveld

 

 

Hongerveld heette het. Het dankte zijn naam aan de knorrende magen van de bewoners en ontstond nadat een zwervend kunstenaarsechtpaar de nacht had doorgebracht in een vervallen plaggenhut. De man en de vrouw knapten de hut op, voedden zich met noten, paddenstoelen en eetbare planten en knipten schaduwportretjes van boeren en burgers in ruil voor een homp brood. Ze haalden hun drinkwater uit een met man en macht zelf gegraven put en wasten zichzelf en hun vuile goed in een nabij gelegen ven.
Hun vrije leven midden in de natuur trok andere kunstenaars aan. Ieder bouwde zijn eigen huis van sparren, riet en al wat meer als bouwmateriaal dienst kon doen. Het waren krakkemikkige bouwsels die nauwelijks meer bescherming boden dan een grote paraplu, maar de kunstenaars waren er tevreden mee. De huisjes werden in vrolijke kleuren beschilderd, zodat Hongerveld een beetje op een sprookjesdorp leek. Wat heet dorp? Een kleine gemeenschap van gelijkgestemde zielen.
Er woonden er zo'n dertig toen Pierre Guillaume er verzeild raakte. Hoewel ze arm waren als Job, leefden ze blij en tevreden. Ze gingen volledig op in hun werk, het enige dat ze belangrijk schenen te vinden. Het leek of ze zich nergens druk over maakten. Zelfs het geknor van hun magen namen ze voor lief. Op alle vragen die hij hun stelde, hadden ze maar één antwoord: ‘Het is! ‘
Pierre bleef in Hongerveld om te ontdekken wat daarmee bedoeld werd. In de eenvoudige levenswijze van de kunstenaars vond hij uiteindelijk het antwoord op al zijn vragen. Hij besloot voorgoed te blijven, bouwde zijn eigen onderdak en bekwaamde zich in de kunst van het beeldhouwen. Jarenlang was hij gelukkig met wat hij had en verlangde niet naar meer. Maar nu zijn hart brandde van liefde voor de mooie Helena, wilde hij al zijn verworven wijsheid graag verruilen voor een dikke beurs - liefde maakt blind.

Helena’s schoonheid bleef intussen toenemen en wedijverde zelfs met haar onvergelijkelijk mooie stem. Op een dag was de tijd rijp voor een knappe prins op een wit paard. Die liet op zich wachten. Helena zocht troost en warmte bij Ursula, de kunstenares wier droeve liederen de witte raaf van ‘s Ravensnest in eenzaamheid hadden gedompeld. Samen zongen ze in tranen gedrenkte duetten, die zich als een klamme deken over de Oskense Heide uitspreidden. Bevreesd dat Helena’s schoonheid in treurnis zou verwelken, verried een kunstenaar haar de geheime liefde van Pierre Guillaume. Helena klaarde meteen op. Pierre was dan wel geen knappe prins op een wit paard, hij was knap in zijn hoofd. Ze kende hem als een lieve, zorgzame man met een groot gevoel voor humor, wat lang niet van alle prinsen gezegd kan worden. Met zo iemand wilde ze haar leven wel delen. Ze zadelde haar pony en reed spoorslags naar Hongerveld. Daar trof ze Pierre aan die nog slechts beeldjes maakte van ‘la belle Hélène’, de mooie Helena. Hij verwaarloosde zijn huis en was bezig om te komen in zijn eigen stof.
‘Als de prins niet naar de prinses komt, komt de prinses wel naar de prins,’ zei Helena, zette hem op haar pony en keerde zingend terug naar huis.
Pierre was de koning te rijk en Helena had het ook goed naar haar zin. Mevrouw de barones werd ze voortaan genoemd. Barones Helena Guillaume, bijgenaamd de Leeuwerik van de Oskense Heide. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de adellijke titel haar ijdelheid streelde. Ze ging echter niet van verwaandheid naast haar schoenen lopen. Wie dat doet krijgt koude voeten, zei ze nuchter.

Aardiger, gastvrijere mensen dan Pierre en Helena hebben er op de Oskense Heide nimmer geleefd. Helena, nog steeds in het bezit van een groot deel van het goud dat de os van Osken in de oude koeienstal van oma Truus had achtergelaten, zorgde ervoor dat geen kunstenaar van Hongerveld ooit nog met een knorrende maag naar bed ging. Als Pierre had gewild, had hij de rest van zijn leven in zalignietsdoen kunnen doorbrengen. Daar voelde hij echter niets voor. ‘Het is geen man die niet zelf zijn brood verdienen kan,’ zei hij, en wierp zich op het maken van tuinkunst. Kabouters, ooievaars, schildpadden, katten en al wat meer in sprookjes voorkomt, ontsproten aan zijn vaardige handen. Hij verdiende er een dun belegde, maar smakelijke boterham mee. En omdat ieder pondje door het mondje gaat, bleef Helena daardoor tot in lengte van jaren een mooie, slanke den.

Het leven is eindig, ook dat van de alleraardigste, allergastvrijste mensen. Maar zo af en toe keert Helena voor eventjes terug naar de aarde om met Isolde door de bossen te rijden. Want hoe prachtig Het Land van Immer ook is, voor iemand die er een leven lang heeft gewoond bestaat er niets mooiers dan de Oskense Heide.

‘En wie dit alles niet gelooft, die slaat er de historische jaarboeken van Azen maar op na,’ besloot de paardenman en snoot omstandig zijn neus.

Lieveke slikte een opwellend traantje weg. Vergiste ze zich of zag ze ook iets glinsteren in de ogen van de paardenman? Ze stond op, opende de staldeur, sloeg haar armen om Komieks hals, vlijde haar gezicht tegen de zachte vacht en fluisterde...
(Wat jonge meisjes tegen hun pony zeggen, gaat niemand wat aan.)

 

klik

cigno high