Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 


Joepie

de

kruisspin

...een ruime fantasie...

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Die volgende keer liet lang op zich wachten. De zon stond hoog aan de hemel. Maandenlang was de lucht boven de Oskense Heide blauw als de kielen van de boeren. De burgers genoten, de boeren klaagden steen en been.
Lieveke had vakantie en trok er dagelijks op uit. Vaak alleen, ze hield van de stilte waarin ze ongestoord bezig kon zijn met haar eigen gedachten en gevoelens. Maar als ze met Komiek ging zwemmen in het Duinse Ven, dan ging ze samen met Femke.
Het Duinse Ven was een grote, ondiepe waterplas temidden van hoge zandheuvels, omgord door een dicht woud van naaldbomen. ‘Ik wil niet dat je daar alleen naar toe gaat,’ had de paardenman gezegd. ‘Er is geen Anton de leeuw die je beschermt tegen ongure elementen, die juist dit soort eenzame plekken opzoeken.’
De ouders van Femke dachten er ook zo over. ‘Twee vrouwen zijn meer mans dan een,’ hadden die gezegd. Lieveke en Femke waren vakantievriendinnen geworden. Brood en drinken in de zadeltassen en op naar het Duinse Ven. Zadels af, kleren uit en met de pony’s het water in. En daarna bakken in de zon. Kastanjebruin werden ze.

 

...met Komiek zwemmen in het Duinse Ven...

Maar ook op de Oskense Heide schijnt de zon niet eeuwig. Toen de eerste bliksemschichten van de hemel spatten, legde Lieveke strobalen neer voor Komieks stal en keek uitnodigend naar de paardenman. ‘Zo, niets te doen?’ vroeg hij plagend.
‘Ook een jonge man als u moet tijdig rust nemen,’ plaagde ze terug. ‘Ik heb nog iets van u te goed. Joepie!’
Glimlachend ging de paardenman zitten en begon.

JOEPIE was een telg uit het edele geslacht van de Zygiella X-Donata, bekend om zijn kunstzinnig gesponnen, zeer fraaie, maar licht breekbare wielwebben. Johannes Araneus Diadematus luidde zijn volledige naam, maar met zo iets deftigs moet je op de Oskense Heide niet aankomen. Joepie werd hij genoemd, wat goed paste bij zijn vrolijke aard. Net als zijn vader Argiopidus, die tot zijn grote spijt voortijdig de geest gaf in de armen van een vraatzuchtige geliefde, was Joepie praktisch van aard. Op Sprookjesverteldag verenigde hij het nuttige met het aangename, spon een web onder de rand van het Willibrordusputje, luisterde naar de verhalen en ving tegelijkertijd vliegen. Op een dag was hij zelf weer eens de klos.

Joepie hield van verhalen, maar vertellen was niet echt zijn hobby. Hij las liever, zoals hij gewend was te doen in de boekenkast waarin hij was geboren en opgegroeid. Het was de kast van een geleerde oude heer, rijk aan boekenwurmen waarmee Joepie zich in zijn jonge jaren had vermaakt en gevoed. Aan dit gemakkelijke, onbekommerde bestaan kwam abrupt een einde toen een nieuwe dienstmaagd zich in een aanval van schoonmaakwoede op de kast wierp, alle spinsels verwoestte en de bewoners het huis uitjoeg. Het lot had hem naar de stal van Helena's pony Isolde gevoerd, waar hij een nieuw, werkzaam leven was begonnen. In plaats van in zijn vrije tijd te lezen, wat bij gebrek aan boeken niet mogelijk was, was hij zelf verhalen gaan schrijven. De moeite van het lezen niet waard, vond hij zelf, maar de andere dieren op de Oskense Heide dachten daar anders over. Wat hij ook uit zijn duim zoog, ze vonden het altijd leuk. Vaak gaf hij zijn verhalen een godsdienstig kleurtje. Hij vond dat het kruis op zijn rug hem daartoe het recht gaf. Meestal stak hij de draak met vrome zaken, maar als hij ernstig was zei hij: ‘Het gaat niet om wat je gelooft, maar om wat je doet.’
Ondanks zijn spot vond Joepie zichzelf een christelijk dier. Hij had de Schepper lief als zichzelf. Met overgave deed hij zijn werk, precies zoals die het had bedoeld. Die zou hem zijn grapjes wel vergeven, die had zelf een groot gevoel voor humor. Soms hoorde je hem gieren van het lachen. Mensen noemden dat het gieren van de wind. Tja, die had Hij op de laatste dag geschapen. Als je werkt als je moe bent, is de kans groot dat er iets fout gaat. Joepie zou het er vandaag niet over hebben, hij had zin om weer eens flink te lachen. Niet om een zelf verzonnen verhaal, maar om dat van een ander. Zoals steeds probeerde hij met een smoes onder zijn beurt uit te komen. Hij had zijn rechtervoorpootje verstuikt. De inspanning van het vertellen zou de pijn verergeren. Het klonk niet onaannemelijk, enthousiaste vertellers staan niet stil als een houten Klaas. Isolde liet zich echter niet voor de gek houden. Ze kende haar vriendje door en door. ‘Ach, Joepie toch,’ hinnikte ze overdreven medelijdend, ‘laat je pootje eens even zien, misschien kan ik wat doen om de pijn te verzachten.’
Joepie wist zich betrapt, slaakte een diepe zucht en zei op klaagtoon: ‘Ach nee, laat maar. Ik offer me wel weer op.’ Een beetje huppelend kroop hij zijn web uit en klom op de rand van het Willibrordusputje. ‘Goed dan, een kort verhaaltje. Een waargebeurde, ingrijpende gebeurtenis uit mijn leven.’ Hij rechtte zijn rug en begon.

 

...daar boven was het best wel mooi...

 

 

 

‘HET is al weer even geleden. Ik was in de stal van mijn beste vriendin Isolde bezig met mijn werk. Ik had net een nieuw web gesponnen zodat er geen stofje in was te zien en kroop in mijn hoek. Even later vloog een reuzengrote vlieg de stal in. Ha, lekker hapje, dacht ik, en wreef me watertandend in mijn pootjes. Op hetzelfde moment knalde het gevaarte mijn web in. Ik dook vliegensvlug op hem af en begon hem in te pakken. Daar scheen hij geen zin in te hebben. Als een razende sloeg hij met zijn vleugels en poten om zich heen. Daar gaat mijn mooie nieuwe web!, dacht ik verschrikt en spoot wat extra kleefstof naar hem. Pure verspilling. Het dier ging als een idioot te keer, het web begon aan alle kanten los te laten. Na nog een paar flinke rukken was hij vrij en vluchtte de stal uit. Er plakten nog enkele draden aan hem. Daar zat de rest van het web aan vast en daar zat ik nog in. ‘Ben je nou helemaal belátafeld!’ riep ik. Geen spoor van medelijden. Brommend steeg het mormel hoog het zwerk in.

Op zich was het daar boven best wel mooi. Zo hoog kom ik doorgaans niet. Gedachtig de uitspraak van mijn moeder dat vliegen de horizon verbreedt, liet ik mij prinsheerlijk meevoeren naar onbekende verten, minzaam neerziend op allen onder mij. Tot mij plotseling te binnen schoot dat mijn moeder die gevleugelde woorden in de mond nam op het moment dat ze opdringerige minnaars naar de keel vloog. De angst sloeg toe. Stel dat hij neerstortte? Voorkomen kon ik dat niet, dus vermande ik mij en wachtte het verloop van de gebeurtenis af.
Na een uurtje of zo had meneer er genoeg van en streek neer op een tak. Ik ging een paar keer over de kop en zat verstrikt in mijn eigen web. De vlieg schuurde zijn lijf langs een blad om de restanten van mijn kostbare draden kwijt te raken. Voordat ik mij uit mijn benarde positie had bevrijd en opnieuw de aanval kon openen, had hij zich schoongepoetst en maakte zich uit de voeten. Weg was mijn lekkere hapje!
Spinnijdig was ik. Voor het eerst in mijn leven was een vlieg mij te vlug af geweest. Hij was heel groot, er was sprake van overmacht, maar toch! Mijn trots had een flinke knauw gekregen.
Ik kroop de boom uit en ging op zoek naar mijn stal. Het werd snel donker. Stikdonker. Ik kon geen poot meer voor mijn ogen zien. Vraag me niet hoe ik er kwam, plotseling doemde een klein kerkje voor mijn neus op. Ik kroop door de voordeur naar binnen, zocht een hoekje waar ik me kon uitstrekken en sliep meteen in.

Bij het krieken van de dag werd ik wakker. Stijf van het liggen op de harde vloer strompelde ik het kerkje uit. Ik had honger als een paard en ging meteen op zoek naar een stevig ontbijt. Tot in de verre omtrek geen vlieg te bekennen.
‘Wat doe jij in mijn nek?’ hoorde ik opeens iemand vragen.
Haastig kroop ik verder. Een groot mensengezicht met een mijter op draaide zich naar mij toe en keek mij streng aan. Ik bleek op de schouder te zitten van een man, die in de ene hand het kerkje vasthield waarin ik de nacht had doorgebracht en in de andere een stok met bovenop een kruisbeeld. ‘Wie bent uwe edele?’ vroeg ik. Aan zijn dieprode, met gouden galons verfraaide mantel kon je wel zien dat het een deftig persoon was.
De man zei: ‘Ik ben Willibrordus, beschermheer van het kasteel van Ridder van Doerne, patroon van het aanliggende dorp Durninum, van Berga Haima, Osken, Nedersticht en nog zevenenzeventig andere dorpen en steden. En wie ben jij?’
Verrast zei ik: ‘U bent dus de man van het Willibrordusputje op de Oskense Heide. Wat ik u vragen wil, hebt u die put zelf gegraven?’
Willibrord deed alsof hij mij niet had gehoord en zei: ‘Ik vroeg wie jij was?’
‘Ik ben Joepie, meneer, ik ben de weg kwijt,’ zei ik.
Zijn gezicht kreeg iets blijmoedigs. Hij zei: ‘Dan ben je hier op het juiste adres, Joepie. Ik zal je de weg wel wijzen.’
Nou, dan denk je dat de man kerk en kruis even neerlegt, de landkaart pakt en je de kortste weg naar de Oskense Heide wijst. Niet soms? Nou, mooi niet dus. Begint hij me aan mijn kop te zeuren over naastenliefde die deuren opent naar eeuwig geluk. Over de bedoeling van de Schepper met de schepping en over de rol die ene Andries speelde in het verspreiden van de zuivere leer. Ik zei dat ik heel goed wist dat de Schepper mij had gemaakt om Isoldes stal vliegenvrij te houden en dat ik de weg daar naar toe graag weer wilde vinden. Maar Willibrord ratelde gewoon door over die Andries. Hij vertelde dat de mensen de man beu waren geworden en hem op een kruis hadden vastgebonden. Daar had hij nog dagenlang doorgepraat en ‘het volk gemaand standvastig te blijven in het geloof’. Ik zei dat ik het heel zielig vond voor meneer Andries, maar dat er nu toch niets meer aan te doen was en of hij me nu de weg naar de Oskense Heide wilde wijzen. Weer deed Willibrord alsof hij mij niet had gehoord. Hij zei: ‘Ter herinnering aan het goede voorbeeld van Andries heeft Ridder van Doerne drie kruisen in zijn wapen laten opnemen. Sindsdien wonen er in het dorp Durninum alleen nog maar brave, vredelievende mensen die...’
Ik liet hem niet uitpraten. Stellen jullie je eens voor in mijn situatie. Honger, de weg kwijt, een stal vol vliegen die hun gang kunnen gaan en ik maar luisteren naar verhalen over een stel stomme kruisen. Ik vlieg uit mijn vel en schreeuw: ‘Hou nou eens op met dat stomme geklets en wijs me de weg naar de Oskense Hei!’
Ik snap wel dat dat niet echt netjes was, zeker niet tegen zo’n deftig persoon. Hij stampte boos op de grond waardoor ik van zijn schouder afkeilde en plat op mijn rug terecht kwam op zo’n kruis in het Doernese Huis. En zo komt het dat ik sindsdien een kruisspin ben.’
Joepie ging rechtop staan, draaide zijn toehoorders de rug toe en riep: ‘Kijk maar!’

De dieren gaven Joepie een klaterend applaus. Daarna riepen ze hem uit tot het grootste liegbeest van Sprookjesverteldag, want niemand geloofde dat wat hij had verteld echt was gebeurd. Hoewel hij een nuchtere kruisspin was, was Joepie toch wel een beetje trots op die titel. Als kleinste van de aanwezige dieren was hij toch ergens het grootste in. En de dieren hadden gelijk, hij had een ruime fantasie.


 

ambient