Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 


Lucas

Marcus

...wanklank...

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Ook al was het volgens haar maar een droom, toch was Lieveke er wel een beetje trots op dat de leeuwerik, die haar over de Eenra had verteld, had gezegd dat ze een mooie stem had. Dikwijls neuriede of zong ze tijdens het verzorgen van Komiek. Zachtjes, dat wel.
‘Je hebt echt een mooie zangstem,’ zei de paardenman waarderend. ‘Ragfijn en zuiver als een klokje van kristal. Als je in de tijd van Lucas Marcus had geleefd, had hij je beslist gevraagd lid te worden van zijn zanggroep.’
Wie Lucas Marcus was, vertelde hij toen de wolken zich weer eens dreigend samenpakten en Pluvius losbarstte in een enorme huilbui.
‘Weet je iets van muziek af?’ zo begon hij.
‘Ik speel accordeon.’
‘Dat weet ik, Lieveke. Heel mooi. Een goede ponyverzorgster is in meer dingen goed. Maar wat ik bedoel, is of je ook iets van muziektheorie afweet. Bijvoorbeeld welke kleur de tonen A tot en met G hebben, hoe de tussenliggende tonen heten en wat het verschil is tussen maat, ritme en tempo?’
‘U gaat het toch niet moeilijk maken, hč?’
‘Ik hoor het al. Het volgende verhaal is aan jou besteed. Luister maar.

 

 

...vrouwe Caecilia...

 

 

 

erwijl Helena met haar pony Isolde over de Oskense Heide zwierf en met haar wondermooie stem de harten van dier en mens verwarmde, Anton de leeuw onvermoeibaar jacht maakte op boeven en ander tuig, en Joepie de kruisspin vliegen ving, bespeelde ene Lucas Marcus het kerkorgel in het dorpje Nisse ter Laar. Toonkunstenaar was hij. Met zijn donkere krullen en bruine ogen leek hij een beetje op de kunstschilder Angelo Verdino, dankzij wie Osken uitgroeide tot kunststadje van het koninkrijk Azen.
Dit rijk werd nu geregeerd door koning Bern de Vrome. Hij voerde Rome in zijn vaandel. Niet met de kleuren van de voormalige keizers, maar met die van de kerkvorst. De gebedshuizen schoten als paddestoelen de grond uit. Rooms klinkende klokken beierden over het hele land en dwongen iedereen op de knieën. Zo ook in Nisse ter Laar, een boerendorp ten zuiden van Osken. De dorpelingen werden zeer godsdienstig, zo godsdienstig zelfs dat ze elkaar begroetten met ‘Laudate Dominum’, Eer aan God. Het viel niet uit de toon. In heel Azen was de voertaal doorspekt met kerklatijn.

Lucas Marcus voelde zich in Nisse ter Laar als een vis in het water. Wie niet godvruchtig was, werd het wel als hij de toetsen van het orgel beroerde. Hij speelde zo mooi dat iedereen er tranen van in de ogen kreeg. Nu wilde Lucas Marcus niet alleen spelen wat anderen hebben geschreven. Zoals zo veel musici wilde hij ook zelf muziek componeren. Nu zijn er in dat vak velen geroepen maar weinigen uitverkoren. Was hij voorbestemd een groot musicus te worden? Notenbalken tekenen kon hij als geen ander en aan noten had hij geen gebrek. Ze groeiden letterlijk zijn hoofd uit. Als hij over zijn krullen streek, klonken ze als heldere klokjes. ‘t Geluid van elk klokje apart was heel mooi, maar allemaal tegelijk was niet om aan te horen. Een regelrechte kakofonie. En zo klonken ook Lucas Marcus’ muziekstukken.
Op een dag was de Hemelse Heerser het spuugzat. Hij liet Vrouwe Caecilia bij zich komen en vroeg haar aan die wanklank een einde te maken. Toen Lucas Marcus weer eens een keer een nieuwe compositie op het orgel speelde, stond er opeens een eerbiedwaardige dame naast hem, gekleed in een oogverblindend gewaad van goudbrokaat en omgeven door een hemelsblauwe lichtkrans. Lucas Marcus schrok zich het apezuur.
‘Is het nu eindelijk eens afgelopen met dat gerampetam!’ zei Caecilia met een van afschuw verkrampt gezicht. ‘Onze Heer wordt stapelkrankjorum van dat helse lawaai.’
‘Wie bent u?’ vroeg Lucas Marcus beledigd.
‘Ik ben Caecilia, beschermvrouwe Klank en Toon.’
‘Uh... beschermvrouwe?’
‘Een vrouw die Onze Heer beschermt tegen wanklanken als die van jou en talentvolle musici helpt zich te beteren, vooropgesteld dat ze het netjes vragen.’
‘Treft dat even!’ riep Lucas Marcus verheugd uit. ‘Ik zit met een groot probleem. Ik wil mooie muziek maken voor Ons Heer, maar het lukt van geen kant. Wilt u mij daar alstublieft een handje bij helpen?’
Caecilia mopperde: ‘Met je talenten moet je zelf wat doen. Een bakker vraagt toch ook niet of ik hem wil helpen brood te bakken? Zoals de boer het graan oogst, de molenaar er meel van maakt en de bakker brood, zo moet jij van jouw noten zelf muziek bakken.’
Lucas Marcus reageerde teleurgesteld. ‘Mijn baksels zijn allemaal misbaksels. Als u niet een handje helpt, wie dan wel?’
‘Om je noten goed op papier te krijgen, moet je ze eerst in je bovenkamertje op een rijtje zetten,’ zei Caecilia streng.
‘En hoe doe ik dat?’
‘Opruimen, Lucas Marcus. Orde scheppen in die chaos.’
‘Ach, dat heb ik al zo vaak gedaan. Het helpt geen zier.’
‘Nčtjes opruimen, bedoel ik. Niet uit de kastjes en laatjes kieperen en ze erin terugmikken, dan blijft het een rommeltje. Zet je noten van hoog tot laag, soort bij soort bij elkaar, precies zoals je een keukenkast inruimt. Daar stapel je toch ook niet de borden, kopjes en pannen op elkaar?’
In Lucas Marcus’ ogen vormden zich vraagtekens.
Caecilia las zijn gedachten en zei hoofdschuddend: ‘De keuken is niet alleen het werkterrein van de vrouw, Lucas Marcus. Komaan, ik zal het je uitleggen. Neem aan je hebt zeven pannen die van groot naar klein precies in elkaar passen. In elkaar gezet nemen ze nauwelijks meer ruimte in beslag dan de grootste pan alleen. Met noten gaat het net zo. Begin met de zuivere A’s. Die schuif je van hoog naar laag in elkaar. Doe hetzelfde met de zuivere B’s, C’s, D’s, E’s, F’s en G’s. Zet de noten die erop lijken, de mollen en de kruisen, in volgorde er tussenin en klaar is kees.’
Beginnen met de zuivere A’s. Maar welke waren dat? Er zaten zoveel A’s in Lucas Marcus’ hoofd, ze leken op elkaar als eeneiige tweelingen.
Caecilia sprak: ‘Alle noten herken je aan hun kleur. Die kun je niet zien, wel horen en afleiden uit hun Latijnse namen. De zuivere A is de hoogste toon in de lofzang van de Alauda, de leeuwerik. De B, Beatus, heeft een voorname, gezegende klank. De C, Cantare, is licht, luchtig en toch kernachtig, uitgesproken zangerig dus. De D, Dominus, klinkt goddelijk en de E, E-volare, als het ruisen van de wind door de veren van een vogel die bidt op de wind. De F, Facile, herken je aan het gemak waarmee die tot klank komt, en de G, Gaudium, klinkt als een vreugdekreet. Als je die betekenissen betrekt op de stamvader van alle noten, de Alauda, kom je tot de volgende zin: De gezegende Alauda zingt moeiteloos omhoogvliegend God vreugdevol toe.’
Caecilia kon het mooi vertellen, maar Lucas Marcus had er geen idee van hoe de lofzang van die Alauda klonk.
‘Kom,’ zei Caecilia, ‘ik zal je de Alauda eens laten horen.’ Ze nam Lucas Marcus bij de hand en voerde hem mee tot boven het Perenven. Daar gingen ze zitten op een laaghangende wolk. ‘Hier kun je het goed horen Lucas Marcus, luister.’
Even later maakte zich een vogeltje los van de grond, vloog langzaam omhoog en zong tijdens de klim op zuivere toon een prachtig, trillend lied. ‘Dat is de Alauda die over de Via Alaudae vliegt en Laudate Dominum zingt,’ zei Caecilia. ‘In gewoon Azens: dat is de leeuwerik die op de Leeuwerikstraat Eer aan God zingt.’
Terwijl de leeuwerik in steile vlucht terug keerde naar de grond, vloog plots een zwaan de Leeuwerikstraat op, die met heldere stem de zang van de leeuwerik nabootste.
‘En dat is de Eenra,’ zei Caecilia glimlachend, 'die als elke volbloed zanger geen gelegenheid voorbij laat gaan zich voor publiek te laten horen. Klap maar even voor die ijdeltuit.’
‘Schitterend!’ riep Lucas Marcus geestdriftig uit. ‘Welk een puurheid, welk een zuiverheid! Maar, hoe moet ik die toon in hemelsnaam onthouden?’
‘Ik begrijp het,’ zei Caecilia. ‘Een gewoon mensengeheugen kan zo’n sublieme klank niet gemakkelijk vasthouden. Kom, laten we teruggaan.’ Terug in de kerk zei ze: ‘Ik vind er wel iets op,’ en vertrok.
 

...hij noemt het een stemvork...

 

Precies zeven dagen later was ze terug. Ze gaf Lucas Marcus een in U-vorm gebogen metalen staaf, in het midden voorzien van een handvat. ‘Met de groeten van Johannes. Hij wenst je er veel succes mee.’
‘De Heilige Johannes?’ vroeg Lucas Marcus verbaasd.
‘Johannes de koperblazer, collega van je. Niet heilig, wel handig. Hij noemt het een stemvork. Tik ermee tegen iets hards en je hoort de zuivere Alaudatoon.’
Lucas Marcus tikte met de stemvork tegen zijn hoofd en hield hem bij zijn oor. Het was exact de hoogste toon in de lofzang van de Alauda. Hij kwam woorden tekort om Caecilia te bedanken. ‘Kleine moeite,’ zei ze bescheiden. ‘Je roept maar als je me nog eens nodig hebt,’ en ze verdween zoals ze gekomen was.
Lucas Marcus begon onmiddellijk met opruimen. Het was nog een hele klus. Toen hij klaar was, streek hij over zijn krullen. Niet één valse toon meer! Nu wist hij zeker dat hij zijn werk wčl goed had gedaan.

In de jaren die volgden schreef Lucas Marcus de prachtigste muziek. Koning Bern was er verrukt van en droeg hem op muziek te componeren voor de door hem geschreven mirakelspelen, toneelstukken waarin wonderbaarlijke gebeurtenissen op begrijpelijke wijze werden uitgelegd aan het goed gelovige volk.
Om inspiratie op te doen maakte Lucas Marcus dikwijls een wandeling op de Oskense Heide. Daar werd hij op een dag bijna omver gereden door een fjordenpony die hem in vliegende vaart tegemoet kwam. Het dier maakte een zijsprong en stond onmiddellijk stil. De ruiter steeg af en bood haar excuus aan. Helena, de 'leeuwerik van de Oskense Heide'. Ze had hem te laat opgemerkt.
Lucas Marcus werd getroffen door haar wondermooie, heldere stem en maakte er een opmerking over. De twee raakten met elkaar in gesprek. Helena zei dat ze graag met andere jonge mensen wilde samen zingen. Daar had Lucas Marcus wel oren naar. Druk met het schrijven van muziek voor koning Bern duurde het echter geruime tijd voordat zijn plannen van de grond kwamen. Ook het vinden van goede stemmen viel niet mee. Maar wie zoekt zal vinden en wie klopt wordt opengedaan. Lucas Marcus slaagde er in de allerbeste stemmen uit Azen bijeen te brengen. Osken, centrum van cultuur, werd vanzelfsprekend de vestigingsplaats.

Briljant organist en componist liet Lucas Marcus zien dat hij ook als dirigent de kunst van het toonzetten verstond. Op elke noot legde hij zout en hij stond stil bij iedere maatstreep. Niettemin zat hij geregeld met de handen in het haar. Op de kwaliteit van de stemmen viel niets aan te merken. Iedere stem apart was heel mooi, maar allemaal tegelijk was niet om aan te horen. Een regelrechte kakofonie. Hoeveel moeite Lucas Marcus ook deed, tot een goede samenklank kwam het niet. Ten einde raad zond hij een gebed naar de Hemel.

 

...de dirigent...

 

Zo kon het gebeuren dat de zangers en zangeressen op een dag bijeenkwamen bij de Oskense Plas, een groot ven waar boeren en burgers in het weekeinde hun ontspanning zochten. Rekende iedereen op een concert in de openlucht, tot ieders verbazing liet Lucas Marcus de jongens en meiden plaatsnemen in roeiboten. Het was een gejoel en gespetter van jewelste. De boten voeren alle kanten uit, maar na een half uurtje slaagden ze erin onder leiding van ‘kapitein’ Lucas Marcus in een rechte lijn en keurig naast elkaar te varen. De regelmaat waarmee de spanen in het water hapten noemde hij ‘maat’, de spetters die daarbij opvlogen ‘ritme’, de snelheid waarmee de boten het water kliefden ‘tempo’ en het ruisende geluid van het water ‘toon’.
De zangers en zangeressen vielen de schellen van de ogen. Het duurde niet lang of ze kwamen tot een wonderbaarlijke samenklank, zuiver in toon, maat en ritme, gelijk de engelenkoren in de Hemel. ViaLaudae heette het koor, een samentrekking van de woorden Via Alaudae, Alauda en Laudate Dominum die, zoals Vrouwe Caecilia had gezegd, Leeuwerikstraat, leeuwerik en Eer aan God betekenden.
Stond Osken bekend als het fraaiste, kunstzinnigste en kunstminnendste stadje van het koninkrijk Azen, dankzij het goede voorbeeld van Sangchoir ViaLaudae werd het ook nog eens het muzikaalste. De stemvork, waarmee Lucas Marcus ieders tonen op een rijtje zette, heeft daar in niet geringe mate toe bijgedragen.’ 
 

 

 

‘Lucas Marcus doet mij denken aan het verhaal over de kunstenaar van Limland. Heette dat koor in Het Land van Immer ook niet ViaLaudae?’ vroeg Lieveke.
‘In de wereld van de oude muziek is ViaLaudae een bekende naam. Er zijn misschien wel meer zanggroepen in Azen die zo heten, die zingend als leeuweriken de Schepper loven en prijzen. Zoals de stadsdichter van Osken het eens zo mooi zei:

Tijd van leven
Door woord vergeven
In klank verheven
Wat ons tot mensen maakt
Ten diepste raakt
Door Hem in geest gegeven

Maar...' En met die ondeugende twinkeling in zijn ogen die spot of schromelijke overdrijving voorspelde, vervolgde de paardenman peinzend:'...nu ik er zo over nadenk, het zou wel eens hetzelfde koor kunnen zijn. Net als de dirigent in Het Land van Immer was Lucas Marcus niet afkerig van opsmuk. In plaats van de muziek in de hand te laten houden, liet hij de zangers en zangeressen zingen van zilverkleurige muziekstandaards, met Kerst en op andere hoogtijdagen omwonden met in goudverf gedoopte laurierranken. IJdel was hij ook, wat niet ongewoon is bij toonkunstenaars. Hij schoeide, hoedde en kleedde zich met de zwier en onverschilligheid van ridder Marcus, de voormalige heer van Nisse ter Laar, van wie hij een nakomeling zou zijn. Ik heb zo mijn twijfels over die afkomst. Lucas Marcus miste elk talent om paard te rijden waar ridders, ruiters, juist erg goed in zijn. Ridderlijk was hij evenmin: ongenadig tikte hij met zijn stemvork op de hoofden van de jongens, en zélfs op die van de meisjes, die een half toontje te hoog of te laag zongen. Wat is nu een half toontje, zeg zelf! Graaf was hij, schrijver, componist van mirakelse muziek voor koning Bern. En hertog, legerleider, leider van een in alle toonaarden gedrild zangleger. Als ik er goed over nadenk Lieveke, ben ik er bijna zeker van dat Lucas Marcus en de dirigent in Het Land van Immer een en dezelfde persoon zijn. Sterker nog, dat is zo! Tjeetje, wat ben jij pienter vandaag! Wat moet die arme kunstenaar uit Limland niet allemaal op zijn kerfstok hebben gehad om zo gestraft te worden?’
Haar gezicht geplooid in een brede glimlach zei Lieveke: ‘Past u maar op met uw lage stem. Als ik u was zou ik een toontje hoger gaan zingen. En heel zuiver! Waar ik verder nieuwsgierig naar ben, is naar die noten die uit Lucas Marcus’ hoofd groeiden. Heel apart.’
Zonder een spier te vertrekken antwoordde de paardenman: ‘Notengroei komt voor bij mensen met een absoluut gehoor.’
Lieveke trok een ernstig gezicht en zei: ‘Legt u mij dat eens uit.’
‘Dat is een erg technisch verhaal. Ik zal proberen het eenvoudig te houden.
Toen de aarde werd geschapen heerste er op alle gebieden een volmaakte harmonie. Tengevolge van menselijk ingrijpen werd het een rommeltje, ook op muziekgebied. Mensen met een zeer zuiver, uiterst kwetsbaar, absoluut gehoor, die tonen herkennen zonder ze te vergelijken met andere tonen, waren al lang van de aardbodem verdwenen als het lichaam niet uit zichzelf een afweermechanisme opbouwde. Dat gebeurt al in de moederbuik. Onzuivere geluiden veroorzaken wat de geleerden mutatie of sprongvariatie noemen, een plotselinge verandering in de haarwortels waardoor hoofdharen een gebogen vorm krijgen. Krullen noemen we die gewoonlijk. Daarin worden valse tonen opgevangen en teruggeslingerd naar de bron.
Het afweersysteem is niet volmaakt. Achterblijvende klankresten veroorzaken roos, in ernstige gevallen tasten ze de hoofdhuid aan en ontstaan kale plekjes. In het hoofd opgeslagen noten kunnen daardoor naar buiten groeien. Op het eerste gezicht lijken het gewone haren, maar als je goed kijkt, zie je dat er op elk haartje een hard bolletje zit. Daaromheen vormen zich klokjes, opeenhopingen van huidschilfers. Die worden na een tijdje keihard en klinken net zo mooi en helder als de bronzen klokken van de klokkenmaker.’
Grinnikend zei Lieveke: ‘Regelmatig wassen met een goede shampoo, zou mijn kapper zeggen.’
‘Wijsneus,’ bromde de paardenman. ’Notengroei komt van binnenuit. Daartegen helpt zelfs geen schrobben met groene zeep.’
Lieveke schaterde. Toen kon ook de paardenman zich niet langer inhouden en barstte in lachen uit. Het was een vrolijk duet.


klik!

...brief van een lezer...