Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 



Mark

 

 ViaLaudae
 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Eens, nog niet zo lang geleden, woonde er in een klein boerendorp ten zuiden van Osken een kleine jongen. Mark heette hij. Zoals zo velen in het dorp was hij, naar de wens van zijn moeder, vernoemd naar Lucas Marcus, de beroemde toonkunstenaar die lang, heel lang geleden, in hetzelfde dorp het levenslicht zag en er als een soort heilige werd vereerd. Zijn vader, privésecretaris van de doorluchtige familie Bern, hield niet van die poespas en noemde hem kortweg Mark. Gehoor gevend aan het naderende geluid van Rooms klinkende klokken, besloot hij dat zijn zoon zielenherder moest worden. Werk zat en altijd een boterham. Vaders wil is wet, dus bereidde de jongen zich zo goed mogelijk voor op zijn toekomstige taak. Leergierig hing hij aan de lippen van zijn onderwijzer en van zijn godsdienstleraar, Meneer Kapelaan. Ook op zondag. Dan luisterde hij aandachtig naar de wijze woorden die tot het kerkvolk werden gericht. 

Ook doordeweeks was Mark in de kerk te vinden. Hij praatte graag tegen God, onze Vader in de Hemel. Die luisterde tenminste. God was ook knapper dan pa. Pa kon aardig doe-het-zelven, maar God had alles gemaakt wat bestond. Eerst de aarde en het water, toen de bomen, de planten en de vissen. De vissen hadden pootjes gekregen en waren het land opgegaan. De meeste vonden het op het land niet leuk, gaven hun pootjes terug en doken het water weer in. Uit de andere groeiden na jaren allerlei andere dieren, zoals dinosaurussen, olifanten, leeuwen, konijnen, apen en mensen. De kleinste vissen kregen na verloop van tijd vleugels: vogels. De allerkleinste ook: libellen, vliegen, muggen. Zo had Mark het begrepen.
Mark geloofde niet alleen in God, ook in kabouters. Hij had er twee: Drupke en Dropke, tuinkabouters. ‘s Nachts ruimden ze de rommel op, maaiden het gras en gaven de bloemen water. Overdag speelden ze met Mark. Op koude, regenachtige dagen zaten ze met z’n drietjes in het schuurtje, dronken eikeltjeskoffie en vertelden elkaar verhalen. Mark over Jezus, Drupke en Dropke over de Wijze Fee en de Slimme Fee.
Jezus was dokter, wist Mark. Een heel knappe. Hij hoefde maar te zeggen ‘Word beter!’ en lammen liepen en blinden zagen. Jezus was ook zielenherder. Hij had gezegd dat er nooit meer honger, ruzie of oorlog zou zijn als alle mensen net zo veel van andere mensen hielden als van zichzelf. De Wijze Fee, de hoogste baas van Drupke en Dropke, bleek dezelfde mening te zijn toegedaan. De Slimme Fee hield er minder christelijke gedachten op na. Dat had voor extra problemen gezorgd in het kabouterstadje Koolrijk. De Wijze Fee had kabouter Justus er naar toegestuurd en toen was alles weer goed gekomen. Wie op de hoogte is van de geschiedenis van Koolrijk zal dat bekend in de oren klinken.
Die Justus moest ook maar eens naar de mensen komen, vond Mark. Volgens Meneer Kapelaan kon dat elk ogenblik gebeuren. Justus zou niet komen in de gedaante van een kabouter, maar als koning Jezus. En dan zou alles gebeuren zoals God het wil.
Meneer Kapelaan kon het weten. Hij droeg een zwarte pij en woonde in het huis naast de kerk. Wie daar woont, vertelt geen sprookjes.
Alles wat Mark over Jezus wist, had hij van Meneer Kapelaan geleerd. Die wist het op zijn beurt van de Bijbelvertellers. Marcus, een meester in de vertelkunst, was er een van. De jonge Mark wilde in zijn voetsporen treden. Net als zijn beroemde naamgenoot zou hij de mensen wel eens duidelijk maken dat het de hoogste tijd was om schoon schip te maken. Dat scheelde Jezus een hoop werk als hij als koning op aarde terugkwam. Meneer Kapelaan vroeg er ook wel om, maar dat haalde niet veel uit. Vaak kon je hem op zijn knieën in de kerk zien zitten, God smekend de ogen van de mensen te openen. Tevergeefs.
Aardige man, Meneer Kapelaan, misschien wel te aardig. Hij kon de oren van de gelovigen wassen met woorden, maar zijn daadkracht liet te wensen over. Nee, dan Jezus zelf. Toen die nog op aarde leefde, gebeurde het dat handelaren de tempel gebruikten als overdekte markthal. Hij had ze bij hun lurven gegrepen en met kramen en al eruit geschopt. ‘De tempel is om te bidden, jullie maken er een dievenkot van!’ had hij woedend uitgeroepen - wie niet horen wil moet voelen.

 

Meneer Kapelaan

 

Er waren nog steeds handelaren die geld verdienen als het hoogste goed beschouwden. Dat begreep Mark toen hij Meneer Kapelaan op een zondag in de preek te keer hoorde gaan tegen ‘de schending van de kerstgedachte’. Terwijl ‘Zie ginds komt de stoomboot’ nog in ieders oren naklonk, werden de kerstbomen al van stal gehaald en zongen de winkeliers ‘Jingle bell’. Daarbij gingen de gedachten uiteraard niet uit naar het luiden van klokken die opriepen tot gebed.
‘Het kerstmysterie is geen kassaspektakel. De brandstapel op met die bomen!’ had Meneer Kapelaan driftig zwaaiend met zijn vuisten uitgeroepen.
Dat was mannentaal. Strijdvaardig had Mark besloten zijn leermeester een handje te helpen. Hij was naar de winkeliers toegegaan en had ze gevraagd hun leven te beteren. Zijn woorden waren parels voor de zwijnen. Uitgelachen hadden ze hem! Diep teleurgesteld had hij zich bij Drupke en Dropke beklaagd. Ze beloofden hem te helpen ‘de zonde der hebzucht’ te bestrijden.
Zo kon het gebeuren dat op een nacht alle kerstbomen uit de winkelstraat naar het marktplein verhuisden, waar ze geofferd werden aan het kerstideaal. De hoog oplaaiende vlammen brachten licht in de duisternis en vrede in de harten van Mark en de kabouters. Het was een machtig mooi schouwspel dat al gauw muzikaal werd begeleid door juichende sirenes. De brandweercommandant was van mening dat het vuur gevaar opleverde voor de belendende percelen en liet er de spuit op zetten.
De winkeliers waren ziedend en sleepten Mark voor de rechter. Die had hem hoofdschuddend aangekeken en hem veroordeeld tot een langdurige taakstraf in het klooster van de Broeders Penitenten.

 

Lieveke had met gekromde tenen naar het laatste deel van het verhaal geluisterd. De kinderlijke samensmelting van godsdienst en fantasie vond zij vertederend. Mark was een schatje. Maar het gedoe rond de kerstbomen stuitte haar tegen de borst. Kerstmis, Stille Nacht, Heilige Nacht; sneeuw, een kerk vol wierook, honderden kaarsen. Thuis een kribbe van rotspapier met Maria, Jozef, os en ezel onder een prachtig versierde spar, de geur van gebakken wafels. Van haar had het ‘t hele jaar Kerstmis mogen zijn. Behalve met Sinterklaas. Hoort wie klopt daar kinderen? Pa, die even later binnenkwam met een wasmand vol cadeautjes. Veel soeps zat er niet in, dat kon bruintje met studerende kinderen op de bok niet trekken, maar spannend was het! En leuk al die kerstbomen al zo vroeg in het winkelcentrum. 
Ze kon wel begrip opbrengen voor de winkeliers. Sjouwen van de vroege ochtend tot de late avond en dan vaak nog moeite hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Dan had ze het natuurlijk niet over de kabouters Rinkel die voor veel geld waardeloze prullen verkochten, van die hebbedingetjes waar je eigenlijk niets aan had. Je kon toch ook cadeaus geven die leuk èn nuttig waren. Zo vroeg haar moeder altijd iets voor de keuken. En als jaarlijks terugkerend grapje kreeg ze ook altijd een pollepel, waarmee ze orde hield aan tafel. Ze had er namelijk eens een stuk geslagen. Op het hoofd van haar liefste (nou ja...) dochter Lieveke, terwijl ze niets verkeerds had gedaan. ‘Dan is die voor al die keren dat je een tik verdiende en hem niet kreeg,’ had ze gezegd. Niet dat ze hard had geslagen, er zat een barstje in het hout. En haar vader kreeg altijd een s.o.s.-je: sokken, overhemd, stropdas. Zag hij er netjes uit als hij met de Kerst onder de mistletoe in de kerk zat te toeteren. Hij speelde eerste trompet in de harmonie. Ja, ze had het niet van een vreemde. Zelf vroeg ze ook altijd iets om aan te trekken. Om paardrijdspullen durfde ze niet aan te komen. Een nieuw zadel had ze graag gewild toen het oude te klein voor haar werd. Maar ze was heel blij geweest met het sieraadje om op haar cap te steken, een speldje met een paardenhoofd. Tja, bruintje. Had gelukkig wel een vaste baan. Als kok, beroemd om zijn soepen. Geen vetpot, maar altijd brood op de plank. En wat hadden mistletoe en kerstbomen eigenlijk met Kerstmis te maken? Net zoveel als met Sinterklaas. Of met Santa Claus, de uit de Nieuwe Wereld overgewaaide sint in kerstverpakking. Jezus was niet in een bos maar in een veestal geboren. Heidense folklorica!

‘Wat een drukte om een paar wat vroeg geplaatste kerstbomen,’ zei ze knorrig.
Lieveke had een gevoelige snaar geraakt. Licht geërgerd antwoordde Mark: ‘Kerstmis is de verjaardag van Jezus. Een verjaardag vier je op de dag zelf. Op de avond ervoor of op de ochtend van de feestdag worden slingers en ballonnen uit de kast gehaald en het huis versierd. Precies zoals je op Koningsdag pas ‘s morgens de vlag uitsteekt en zeker niet drie weken van te voren.’
‘Die vlag hangt het hele jaar uit,’ wierp Lieveke tegen. ‘De handel roeit met alle beschikbare riemen.’
‘Dat deed Matteüs ook,’ antwoordde Mark, ‘tot hij inzag dat een behouden vaart om een rechte koers vraagt.’ En hij vervolgde zijn verhaal.

Mark moest op zijn knieën. Niet om te bidden maar om de oneindig lange, met marmer betegelde kloostergangen te dweilen. Dat deed hij zo netjes als hij kon. Het leverde hem complimentjes op van broeder Matteüs, tuinman en organist. Die was door broeder abt gevraagd een oogje in het zeil te houden en Mark zijn kwajongensstreken af te leren. Op een dag vroeg hij hem naar zijn toekomstplannen. Gedachtig de wens van zijn vader, antwoordde Mark dat hij zielenherder wilde worden. Broeder Matteüs krabde zich achter de oren. Er waren er al zo veel, op elke straathoek stond er wel een. Na het uiteenvallen van de republiek waren ze uit alle windstreken toegestroomd en hadden zich op Azen geworpen als bijen op honing. De broeder wilde Mark niet ontmoedigen en opperde een idee dat leek op wat de jongen zelf wilde. Hij zei: ‘Je zou ‘muziekprediker’ kunnen worden. Met het uitvoeren van aan God gewijde muziek wordt het Woord des Heren minstens zo goed verkondigd als door middel van praten.’ En hij lichtte zijn idee als volgt toe:

 

...engeltjes...

Er waren eens vijf weeskinderen. Ze zwierven op straat, bedelden hun kostje bij elkaar en sliepen onder een brug. Als het koud was, dekten ze zich toe met vodden en oude kranten. Op hun bedeltochten zongen ze vrolijke liedjes om de aandacht te trekken.
Op een dag kwam een prediker voorbij. ‘Het is alsof ik engeltjes hoor zingen,’ zei hij en vroeg de kinderen met hem mee te gaan. ‘Ik zal jullie liedjes over God leren.’
De prediker woonde in een klooster waar de arme weesjes een heus bed kregen en volop te eten. Nadat ze een aantal liedjes hadden geleerd, werden ze in monnikspijen gestoken. Aan de schouders werden vleugels bevestigd die van kippenveren aan elkaar waren geplakt. Nu zongen ze niet alleen als engeltjes, ze zagen er ook zo uit.
De prediker ging met ze de straat op. Op het marktplein stelden ze zich op en begonnen te zingen. Mensen bleven stilstaan en luisterden ontroerd. Daarna sprak de prediker in gloedvolle woorden over hoop, geloof en liefde, waarna de kinderen een bijpassend lied zongen. Waar de prediker voorheen dovemansoren vond, dromden mensen nu samen om naar zijn woorden te luisteren. Op die manier werd Gods Woord beter dan ooit tevoren verkondigd. Het ging niet alleen de oren in, maar kwam ook in de harten terecht.


Ja, mooie muziek brengt het hart dichter bij God. Dat ervoer Mark zelf als de broeder op het orgel speelde. De klanken namen hem mee naar zingende engelen op wolken en God de Vader op een gouden troon. Hij besloot de raad van de broeder op te volgen. Die zou hem leren het kerkorgel te bespelen. Op de hoogte van wat in de muziekwereld het Lucas-Marcus-systeem wordt genoemd, leerde hij hem eerst roeien.
In de kloostergracht dreef een roeiboot, een aandenken uit de tijd dat Matteüs als visser en veerman zijn brood verdiende. Hij zette mensen niet alleen over, hij zette ze ook af. Op een dag meldde zich een man die met spoed naar de overkant gebracht wilde worden. ‘Een kwestie van leven of dood,’ zei hij. ‘Hardlopers zijn doodlopers,’ antwoordde Matteüs smalend en vroeg driedubbel tarief. Midden op de rivier brak plots een storm los. De boot maakte water en dreigde te zinken. Matteüs bad zijn engelbewaarder om hulp. De storm ging meteen liggen. ‘Je engelbewaarder zit tegenover je,’ zei de man die hij naar de overkant had moeten brengen. ‘Je kunt kiezen. Of een eerlijk leven of een lijkwade. En die heeft, zoals je weet, geen zakken.’
Matteüs koos eieren voor zijn geld.
‘Ga naar de Broeders Penitenten en leer hoe een godvruchtig mens zich behoort te gedragen,’ zei de engel streng, sloeg zijn vleugels uit en liet Matteüs alleen achter in de boot.
Matteüs gehoorzaamde onmiddellijk. Geïnspireerd door het voorbeeldige gedrag van de monniken, voelde hij zich na verloop van tijd geroepen zelf ook monnik te worden. De kloostertuin werd zijn werkterrein. Hij leerde zaaien, maaien, harken, schoffelen én orgelspelen. En die kunst zou hij de kleine Mark bijbrengen. Als de werkstraf voorbij was, moest de jongen iets om handen hebben zodat hij geen tijd meer had om kattenkwaad uit te halen, zoals het in brand steken van kerstbomen. Het ene kwaad brengt het andere voort, dat wist hij van zichzelf. Van het verhaal dat kabouters dat hadden gedaan, geloofde Matteüs natuurlijk geen snars. Hij geloofde in God, in engelen, niet in kabouters. Dat vond Mark raar. De broeder kwam van de klei, daar woonden de kleikabouters. Misschien had de broeder te veel naar dode vissen gekeken. Op den duur krijg je er zelf ook een glazige blik van.

Mark moest de roeispanen vastpakken en de broeder vertelde hem wat hij moest doen. De boot voer alle kanten uit en na afloop van de eerste les was het hozen geblazen. Mark vond het reuzeleuk, maar het verband tussen roeien en orgelspelen ontging hem volledig. ‘Daar kom je nog wel achter,’ zei broeder Matteüs.
Na enkele lessen lukte het Mark beide roeispanen tegelijk in het water te steken en de boot in een rechte lijn vooruit te stuwen. Zo maakte hij spelenderwijs kennis met de begrippen maat, ritme, tempo en toon. (Wie dit niet begrijpt, heeft het verhaal van Lucas Marcus niet gelezen.) Op het orgel liet Matteüs horen wat die in muziek betekenen. Het nut van de roeilessen drong pas goed tot Mark door toen hij zelf op het orgel mocht spelen. Telkens als hij fouten maakte, wees de broeder op wat hij hem bij het roeien had bijgebracht.
Mark had aanleg. Hoe groot zijn talent was, toonde hij bij zijn eerste optreden tijdens een kerstmis. Hij gaf, zo prees men hem, de noten een ziel, zodat de muziek als een vroom gebed opsteeg naar de Hemel.
Aangestoken door alle vroomheid om hem heen, wilde Mark het voorbeeld van zijn leermeester volgen en monnik worden. ‘Daar moet je nog maar eens goed over nadenken,’ had Matteüs met gefronste wenkbrauwen gezegd. ‘Monniken vullen hun dagen met werken, mediteren en bidden. Ze leven niet samen met een vrouw en krijgen dus ook geen kinderen. Om dat te kunnen volbrengen, moet je roeping hebben. Zorg jij nu maar eerst dat je een volleerde muziekprediker wordt, daarna zien we wel of je ook roeping hebt.’
Toen de broeder hem niets meer kon leren, stuurde Marks vader, die wel inzag dat de spoeling op de markt van zielenherders erg dun was geworden, zijn zoon naar de Hogeschool voor Muziek. Hier ontplooide hij zijn talenten op orgel en piano, leerde hij koren en orkesten dirigeren en zelf muziek schrijven.

 

...wat ben jij mooi...Na zijn afstuderen hield hij zich voornamelijk met dat laatste bezig. Om inspiratie op te doen, maakte hij af en toe een wandeling op de Oskense Heide. Matteüs’ vermoeden dat zijn leerling niet als monnik in de wieg was gelegd, werd bevestigd toen hij op een dag bijna omver werd gereden door een fjordenpony, bereden door een charmante, welgeschapen jonge vrouw. Hij werd op slag en tot over zijn oren verliefd en verlangde er vurig naar de rest van zijn leven met haar te delen. Hoeveel praatjes hij als dirigent van Lavori in corso ook had, haar ten huwelijk vragen durfde hij niet, bang dat ze hem zou afwijzen.
Op een mooie zomerdag zaten ze samen op de bank rond de grote eik bij het Perenven. Ze kenden elkaar inmiddels al bijna twee jaar. Na lang aarzelen besloot hij haar te vertellen wat er op zijn hart lag. Maar hij kon de woorden ‘ik hou van je’ niet over zijn lippen krijgen. In plaats daarvan stelde hij voor een koele duik te nemen in het ven. Beschamend, want geen van beide had zwemkleding bij zich.

‘Ik geloof dat het ook wel zonder kan,’ zei Lieveke die een hoogrode kleur had gekregen en over haar hele lichaam gloeide. Ze trok haar laarzen en rijbroek uit en dook het water in. Mark aarzelde even, toen volgde hij haar voorbeeld. Nadat ze uitgesparteld waren, gingen ze op de kant zitten en wierpen elkaar verliefde blikken toe. ‘Wat ben jij mooi,’ zei Mark bewonderend. ‘Als een prinses uit een sprookje.’
‘Ik bèn een sprookje,’ antwoordde Lieveke glimlachend. ‘Kom, laten we naar het paleis van de koning van de sprookjes gaan en vragen hoe het verhaal afloopt.’
Ze kleedden zich aan, zadelden hun pony’s en reden naar Het Heksenhuisje. Aan het ijzeren spinnenweb op de voordeur hing een bordje: 'Proficiat meisje. Eerste prijs. Een acht.'
Terwijl een onzichtbare hand de deur opende, sprong Lieveke in Marks armen en liet zich de drempel over dragen.

*

Het huwelijk was een geweldig feest. De pleisterplaats bij het Willibrordusputje waar de bruiloft werd gevierd, was door de Angelo Verdino’s van Osken omgetoverd tot een sprookjesbos. Wildemannen, vliegende draken, zingende zwanen, kruisspinnen, leeuweriken en paradijsvogels waren achter, tussen en in de bomen geplaatst. De koks van de koninklijke keuken hadden opdracht gekregen de kookkunst van Bassus en Orch te evenaren. Verkleed als kabouters liepen ze rond met schalen met de vreemdsoortigste gerechten, terwijl de in een leeuwenpak gestoken hofmeester Anton olie penseelde over een aan het spit gestoken varkensbout. Koningin Aleide’s hofdame Rebekka, goudblond gepruikt als ‘la belle Hélène’, was de taak van gastvrouw toebedeeld, daarbij geholpen door Lievekes vriendin Petra, in luchtige tule en glanzende satijn uitgedost als fruitvliegje. Zij onthaalden de gasten op appelflappen, kersenvlaai met slagroom en in kristallen glazen geschonken water uit de put. En Pia, Petra’s dochtertje, zorgde ervoor ze niet op een kluitje bleven staan. Ze droeg een kroontje van wit karton dat haar moeder van binnen en van buiten had volgetekend met bloempjes. Prinses Blommeke heette ze voor de gelegenheid. Een kleine doerak die met een houten paardje, voorzien van een lange spitse hoorn en een geitensik, tussen de gasten draafde. Wie niet snel opzij ging kreeg een prik.
‘Schattig, vind je ook niet?’ zei Petra tegen Rebekka en bewees haar bijnaam Lachebekje nog steeds waard te zijn door zich tranen te lachen. Terwijl ze vlaaipunten sneed, stond haar mond geen moment stil. Negen wilde ze er hebben. Net als gravin Anna Maria Theresia, de echtgenote van Helmer, voorvader van de paardenman. Drie namen net als zij, Petronella Maria Bernadina, en ook vruchtbaar als Moeder Aarde. Negen parels aan haar kroon. Gezellig zo’n groot gezin. De eerste was er, Pia. De andere acht moesten nog komen. Vier meiden, vier jongens. De namen had ze al: Joysina, Karina, Liza, Marie Anna, Jan Christian, Nicodemus, Petrus en Paulus. Zo heetten de kinderen van gravin Anna Maria Theresia die, net als zij, haar eerste Pia had genoemd. Pia Maria om precies te zijn. Dat had de paardenman tenminste verteld toen Lieveke er op haar verzoek op een keer naar had gevraagd. ‘Allemaal muzikale talenten,’ had hij er aan toegevoegd. ‘Als die samen hun mond opendeden, sloegen alle wilde dieren in het Weser Bergland op de vlucht.’
Gezellig zo’n groot gezin. Toch? Maar als je dat wilt, moet je er wel op tijd mee beginnen. Daarom had ze meteen ja gezegd toen Cor haar vroeg, gelukkig ook een lachbek. Nee, rijk was hij niet. Had ze wel altijd gewild, een rijke man. Maar die lagen niet voor het oprapen. Schoolmeester was hij. Rijk aan kinderen in zijn klas. Daar lachte hij heel wat mee af. Zij ook, zij saampjes. Haha! En handig dat hij was! Het houten paardenhoofd dat ze als jong meisje voor Lieveke had gemaakt, had hij op een standaard gezet en stond nu te pronken bij de waterput. Of Rebekka dat gezien had? Mooi hè? Ik vind het nog steeds een prachtige kop. Zelf gezaagd. En dan te bedenken dat ik nog maar een heel jong meisje was. Goh, hoe oud was ik ook al weer...

 

Feest!

 

Petra’s gebabbel werd overstemd door luid gezang van Lavori in corso. Verkleed als ridders, prinsen en prinsessen reed het gezelschap met een door twee ossen getrokken platte boerenkar de pleisterplaats op, de kerstman op de bok en sinterklaas als hulpje ernaast. Nu werd het pas echt gezellig. Op hun vrolijke en ondeugende madrigalen werd gedanst en gehost en wie ze kende zong ze mee.
Ook koning Bern en koningin Aleide waren van de partij. Ter verhoging van de feestvreugde trakteerden ze op een vat Azens Gerstenat. Toen dat leeg was, vroeg koning Bern een ogenblik stilte. Om zijn kwaliteiten als dirigent, maar vooral om zijn doortastendheid bij het huwelijksaanzoek, benoemde hij Mark tot Officier in de Orde van Betrouwbare Maarschalken. Tijdens het overhandigen van de bijbehorende werktuigen (met roodwitblauwe linten versierde bezem, schop, hark en riek) zong koningin Aleide een allervrolijkst lied. Gelach alom en Mark grinnikte verlegen.
Lieveke werd verrast met een wel heel bijzonder geschenk. Alle verhalen die de paardenman haar eens had verteld, had ze op verzoek van de koningin op schrift gesteld. Deze had de hofschilder opdracht gegeven de gebeurtenissen die betrekking hadden op de geschiedenis van Azen in een wapenschildering vast te leggen. Nu werd hij verzocht die te onthullen en een toelichting te geven.
Niemand die in hem de jongeman herkende die hij voor enkele uren nog was geweest. Een vermoeid uitziende, slonzig geklede, oude grijsbaard, het hoofd bedekt met een verfomfaaid hoedje, die een sprekende gelijkenis vertoonde met de kunstenaar van Limland, trad naar voren en trok met een achteloos gebaar het doek weg dat over het blazoen hing. Daarna gaf hij, als gold het de aankomst- en vertrektijden van de postkoets, een droge opsomming van wat er op het wapenschild was te zien en welke betekenis eraan moest worden gehecht.

 

...de historie van Azen in miniatuur...

 

‘De leeuwenpoot links naast het schild (voor heraldici, mensen die een wapen van achteren bekijken, rechts) herinnert aan Helena en haar beschermer Anton de leeuw; de boom, een kunstzinnige variant op de grote eik, aan Angelo Verdino, de Wildemannen en Isolde. In het schild: de stemvork van Lucas Marcus, het kruisje van Joepie de kruisspin en de Eenra, de zingende zwaan. De plas waarin die drijft symboliseert het Perenven waar de paradijsvogel over Het Land van Immer vertelde en herinnert tevens aan de paardenman, ook een paradijsvogel. De letters V en L aan de rechterkant van het schild  staan voor het beroemde Sangchoir ViaLaudae, alsmede voor Via Lycopersicum, oud-Oscisch voor de Weg van de Tomaat die zo’n belangrijke rol speelde in de geschiedenis van Koolrijk, verhaald in de Ziekte van Pfff... Dat was het. Ik dank u voor uw aandacht.’

De koning, voor wie het blazoen net zo’n verrassing was als voor Lieveke, was razend enthousiast. ‘De historie van Azen in miniatuur! Wat een vondst, wat een voortreffelijk idee!’ Hij gaf de hofschilder ter plekke opdracht voor alle dorpen en steden in Azen een wapenschild te ontwerpen waarin hun geschiedenis werd vastgelegd en deze te bevestigen onder de plaatsnaamborden. ‘Makkelijk voor wie niet lezen kan,’ voegde hij er met een schalks lachje aan toe.
De hofschilder krabde aan zijn met een dikke laag schmink vergrote neus, bromde iets onverstaanbaars en ging op zoek naar een glas gerstenat.
Tot besluit van de feestelijkheden zongen Lieveke en koningin Aleide samen Het Lied van ViaLaudae, een vierstemmig madrigaal dat Lucas Marcus eens, lang geleden, uit dankbaarheid had geschreven voor Vrouwe Caecilia. Hoewel ze maar met z’n tweeën waren, klonk het tot stomme verbazing van eenieder (Lieveke en koningin Aleide uitgezonderd) vierstemmig. Een witte schim omkranst door goudblonde haren zweefde boven de hoofden van de bruiloftsgasten en voegde de twee ontbrekende stemmen eraan toe. De hoge, doordringende trillers van de leeuwerik, waarmee het lied eindigde, werden zo intens en zo zuiver gezongen dat de kristallen glazen begonnen mee te zoemen tot ze in scherven vielen.

 

Of er uit het huwelijk van Lieveke en Mark kinderen zijn geboren? De Oskense Heide ziet tegenwoordig zwart van de zingende ponyruiters. Pony’s van allerlei ras, maar veel, heel veel fjordenpony’s. Eén keer in de week, op de vrije woensdagmiddag, komen de ruiters samen bij het Willibrordusputje. Wat daar gebeurt, laat zich raden.

 

klik

Eens...