Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 


Het

mooie

meisje

 

...een goede neus voor vrouwen?...

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Lieveke was er een kijkje gaan nemen. Er werd een standbeeld onthuld, een bronzen varkentje. ‘Ter lering ende vermaak,’ oreerde een snorrenbaard in krijtstreeppak. ‘Ter lering omdat...’
Lieveke hield het voor gezien. Van hoogdravende toespraken van Hotemetoten moest ze niets hebben. Zoals de man zijn best stond te doen! Breed gebarend, bekkentrekkend, glimlach tot aan zijn oren. De clown. Wilde zeker ook een standbeeld.
Het varken was wel grappig. Niet alleen om naar te kijken, ook om mee te spelen. Kinderen konden erop zitten, de bult waarop het stond op en af rennen. Midden tussen de winkels in het centrum van Osken. Leuk!

‘Ik hoor ook liever het gehinnik van pony’s,’ zei de paardenman die bij haar aankomst in de stalhouderij bezig was Komieks hoeven te raspen. ‘Dat varken had trouwens niet op die plek moeten staan, maar op de plaats waar de geschiedenis waaraan het herinnert zich afspeelde.’
‘Ik luister,’ zie Lieveke met een grinnik. En de paardenman vertelde.

 

 

...speelde ze dromerige wijsjes...

 

JONG was ze en mooi. Ietwat mollig, blozende wangen, lange, blonde haren en ze keek pienter uit haar ogen. Ze droeg een witte jurk van glanzende satijn, die als een tweede huid om haar lijf was gespannen. Daarop een klein rood schortje, bestikt met groene lovertjes, en op haar hoofd een eikenkrans met verse eikeltjes. Ze was blootsvoets, de teennagels zorgvuldig beschilderd met roze lak.
Waar ze vandaan kwam wist niemand. Opeens was ze er, uitdagend wiegend met haar heupen, steelse blikken werpend naar jonge mannen. Zij, vooral zij, waren blij met haar komst; nooit eerder hadden ze zo’n verrukkelijk wezen gezien. Er hing een eigenaardige geur om haar heen, dat wel, maar een kniesoor die daarop lette.
Ze had een tent opgezet op De Paardenmarkt, een onverhard plein aan de rand van het centrum. Een soort kiosk, rondom afgesloten met gordijnen. Naast de ingang stond een driepoot met een ketel, waarin ze op een houtvuurtje haar dagelijkse soep bereidde. Overdag zat ze voor haar tent en speelde dromerige wijsjes op een fluit. Tegen de avond ging ze naar binnen, schoof de gordijnen op een kier, kleedde zich uit en ging op bed liggen. De kier gaf niet alleen ruimte aan frisse lucht maar ook aan nieuwsgierige blikken, die ze met een duistere glimlach beantwoordde. ‘Die is op zoek naar een man,’ zeiden de oudere mensen en lieten haar begaan.

Het duurde niet lang of de eerste vrijer diende zich aan. Bram, een knappe, uit de kluiten gewassen boerenzoon, die aan iedere vinger wel tien meisjes kon krijgen. Elk weekeinde was hij te vinden in het danshuis en bracht alle meisjes het hoofd op hol. Er een uitkiezen wilde hij niet. Hij wachtte, zo zei hij steeds, op ‘de ware Jacoba’. En die was, meende hij, nu gekomen. Jaloers als de meisjes van Osken destijds waren, wensten ze hem het allerslechtste toe. En zo geschiedde.

Bram stak zich in zijn beste pak en maakte zijn opwachting. Overtuigd van zijn onweerstaanbare mannelijkheid ging hij recht op zijn doel af en zei: ‘Dag schoonheid. Jij zoekt een man, hier is hij dan. Ik wil met je trouwen.’
‘Mannen bij de vleet, maar niemand vraagt naar hoe ik heet. Ik kan niet trouwen met een vent die mijn naam niet kent,’ antwoordde het meisje.
‘Zeg het mij, dan weet ik het,’ zei Bram, die van opschieten hield.
‘Zo gemakkelijk krijg je mij niet,’ zei het meisje. ‘Ik ben een meisje van plezier, gemaakt voor lust en tierelier. De man die mij wil trouwen, die zal dat snel berouwen. Maar zeg eens vriend, wat heb je mij te bieden?’
‘Een heleboel pret en een stevig huis om in te wonen.’
‘Dat lijkt me wel wat,’ zei het meisje. Ze plukte een eikel van de krans op haar hoofd, wierp hem die toe en zei: ‘Goed kauwen, doorslikken, op je hoofd gaan staan en tot drie tellen, dan weet je wie ik ben.’
‘Als dat alles is,’ zei Bram, ving de eikel handig op, stak hem in zijn mond en begon te kauwen. Lekker was het niet, maar wie met een knap meisje wil trouwen moet er iets voor over hebben.
Terwijl zijn kiezen de eikel fijn maalden, werden zijn hagelwitte tanden bruin als eikenschors, zijn stralend blauwe ogen groen als eikenblad en uit zijn oren groeiden flinterdunne draadjes: wortelhaar. Bram slikte de viezigheid door, ging op zijn hoofd staan en begon te tellen. Bij de eerste tel zakte zijn hoofd in de grond en groeide het wortelhaar uit tot boomwortels. Bij de tweede tel veranderden zijn buik en borst in een reusachtige stam en, nog voor hij drie kon zeggen, verwerden zijn armen en benen tot knoestige takken.
‘Wat moet ik met een man, die niet tot drie tellen kan?’ knorde het meisje. Ze nam een mes uit haar schortje, kerfde een groot gat in de boom, zette er haar bed in en sloot de opening af met een gordijn. Vermoeid van het zware werk ging ze op bed liggen en gaf zich over aan prettige dromen.

Intussen was Bram’s vader op zoek gegaan naar zijn zoon. De koeien moesten worden gemolken, de kippen gevoerd en het land geploegd. Maar hoe hij ook zocht, geen Bram te bekennen. Ten einde raad deed hij het werk maar zelf.

Na een verkwikkende slaap stond het meisje op. Ze smeerde haar haren in met uit de boom gelekte hars, kamde ze in een staartje en ging voor haar boomhuis zitten.
Prompt meldde zich een tweede vrijer. Arnold. Ook een knappe jonge man, zoon van de slager, die aan iedere vinger zo niet tien dan toch minstens vijf meisjes kon krijgen. Geen van hen vond hij knap genoeg om tot vrouw te nemen. Jaloers als de meisjes van Osken destijds waren, wensten ze ook hem het allerslechtste toe. En zo geschiedde.

‘Zo, heerlijk hapje, jou lust ik met huid en haar,’ grapte Arnold tegen het mooie meisje. ‘Wil jij met mij trouwen?’
‘Mannen bij de vleet, maar niemand vraagt naar hoe ik heet. Ik kan niet trouwen met een vent die mijn naam niet kent,’ antwoordde het meisje.
‘Zeg het mij, dan weet ik het,’ zei Arnold, die net als Bram niet van dralen hield.
‘Zo gemakkelijk krijg je mij niet,’ zei het meisje. ‘Ik ben een meisje van plezier, gemaakt voor lust en tierelier. De man die mij wil trouwen, die zal dat snel berouwen. Maar zeg eens vriend, wat heb je mij te bieden?’
‘Ik wil alles voor je doen,’ antwoordde Arnold die zijn ogen niet van haar kon afhouden. ‘Ik zal je kussen, knuffelen en wat al niet meer. En we zullen drie kinderen krijgen.’
‘Dat lijkt me wel wat,’ zei het meisje. Ze plukte een eikel van de krans op haar hoofd, wierp hem die toe en zei: ‘Goed kauwen en doorslikken, dan weet je wie ik ben. Een beetje snel graag, want jouw trek in mij maakt mij vreselijk hongerig.’
Arnold kauwde haastig, verslikte zich, verstijfde over zijn hele lijf, viel om en brak in drie stukken. Het meisje sneed uit elk van de stukken een klein partje, gaf er een kusje op en stak ze in de grond. Er groeiden meteen drie knuffeltjes van kinderen uit met blozende wangetjes, blonde haartjes en pientere ogen. Het mamameisje kookte de restanten van Arnold in de soepketel gaar en gaf ze aan de kinderen te eten. Terwijl ze aten, groeiden ze uit tot mooie meisjes, net zo mooi en mollig als hun moeder. Nadat ze uitgetafeld waren, trok hun moeder ze een witte jurk aan van glanzende satijn met daarop een rood schortje bestikt met groene lovertjes. Daarna harste ze hun haren, bond ze in een staartje, vlocht voor elk een eikenkrans met verse eikeltjes en lakte tot slot hun teennagels. Roze. Wie niet beter wist zou denken dat de meisjes een vierling waren.

De slager was intussen op zoek gegaan naar zijn zoon. De klanten zaten te wachten op hun bestelling. Maar waar hij ook zocht, geen Arnold te vinden. Ten einde raad stapte hij zelf maar op de fiets.

Intussen zat het viertal voor het boomhuis te wachten tot zich een derde vrijer zou aandienen. Dat was Hendrik, zoon van de kapper. Zuinig bedeeld met mannelijk schoon, was hij bepaald geen Adonis. Gewoon een aardige jonge man met een warm en groot hart. Hij kon aan al zijn vingers niet één meisje krijgen, althans geen Oskense schone waar hij in zijn verliefde gedachten van droomde. ‘Veel geluk!’ hadden de knapperds giebelend gezegd. En dat had hij.
Zijn hart sprong op van vreugde toen de meisjes hem beminnelijke blikken toewierpen. ‘Wat zijn jullie mooi!’ riep hij verrukt uit. ‘Wie van jullie wil met mij trouwen?’
‘Eén voor allen, allen voor één,’ zei het mamameisje.
‘Dan trouw ik jullie alle vier,’ zei Hendrik kordaat.
‘Zo gemakkelijk krijg je ons niet,’ zei het mamameisje. ‘Wij zijn meisjes van plezier, gemaakt voor lust en tierelier. De man die ons wil trouwen, die zal dat snel berouwen. Maar zeg eens vriend, wat heb je ons te bieden?’
‘Een huisje met een tuintje en een bloempje voor het raam,’ antwoordde Hendrik met dromerige blik.
‘Gezellig!’ riepen de drie dochters opgetogen uit.
‘Ho ho, even wachten,’ zei het mamameisje, ‘ik ben er ook nog. Mannen bij de vleet, maar niemand vraagt naar hoe ik heet. Ik kan niet trouwen met een vent die mijn naam niet kent.’ Ze plukte een eikel van de eikenkrans op haar hoofd, wierp die Hendrik toe en zei: ‘Goed kauwen en doorslikken, dan weet je wie ik ben.’
Hendrik ving mis. Toen hij zich bukte om de eikel op te rapen, zag hij onder de wortels van de boom het verwrongen gezicht van Bram. ‘Hier is iets niet pluis, ‘ zei hij bij zichzelf, maar hij deed alsof hij niets had gezien. ‘Dames,’ zei hij op plechtige toon, ‘ik heb me bedacht. Alle goede dingen in drieën, is mij geleerd. Dus kan ik niet met vier meisjes trouwen. Ik zal mijn vader vragen of hij een van u tot vrouw wil nemen. Hij is al lang alleen en een nieuwe liefde zal hem goed doen. Als we met z’n allen bij hem intrekken, blijven we toch gezellig bij elkaar.’
‘Dat lijkt me wel wat,’ zei het mamameisje. Ze gooide hem een tweede eikel toe en zei: ‘Hier heb je er ook een voor je vader. Eet ze op en wij behoren jullie toe.’
Hendrik stak de eikels in zijn zak en ging naar huis.

Maceria, de tovenaar van Haar, zat in de kappersstoel. ‘Heb jij je handen niet gewassen?’ bromde hij tegen Hendriks vader. De kapper rook aan zijn handen. Fris en schoon zoals het een nette kapper betaamt. Op dat moment stapte Hendrik de zaak binnen en haalde de eikels uit zijn zak. Voordat hij een woord kon uitbrengen, sprong Maceria uit zijn stoel en siste: ‘Zeszeszes! Ik ruik het! Het beest is in de stad!’ Hij griste de eikels uit Hendriks hand en vroeg opgewonden: ‘Hoe kom je daaraan?’
Hendrik vertelde.
‘Als ik het niet dacht,’ gromde Maceria. ‘De hellepoort staat weer eens op een kier. We zullen die dames een koekje van eigen deeg geven.’ Hij haastte zich naar huis, zette de magische bronzen vijzel op de keukentafel en ging aan de slag. Hij stampte zeven gedroogde blaadjes laurier tot poeder, vermengde die met zeven likjes gesmolten knorkaas, zeven snippertjes heksenblad en zeven snufjes zwijntjeskruid. Het mengsel smeerde hij op vier toastjes, die hij opsierde met enkele takjes rode taufr. De eikels legde hij in een papje van azijn en ambrozijn en sprak: ‘Finitos laborum eikelorum fammica infernatis’, een oud-Oscische, zeer werkzame toverspreuk. Sissend en borrelend verdwenen de gifstoffen uit de eikels. Eikels en toastjes legde Maceria op een schaaltje en keerde terug naar de kapper. ‘Geef de toastjes aan die zogenaamde dames en eet zelf deze onschuldige eikels,’ zei hij grijnzend.

De vier meisjes zaten gezellig met elkaar te babbelen toen beide mannen bij het boomhuis aankwamen. ‘Hier zijn we dan!’ riep Hendrik opgewekt. ‘Laat ons trouwen mooie vrouwen, laat ons vinden ons plezier in uw lust en tierelier, voorwaar, het zal ons niet berouwen.’
‘Eerst jullie eikels opeten,’ zei het mamameisje, ‘anders kunnen we niet met jullie trouwen.’
‘Samen eten is gezelliger. We hebben iets heel lekkers meegebracht,’ zei Hendrik en liet het schaaltje met toastjes rondgaan. Terwijl hij en zijn vader de eikels in hun mond staken en smakelijk begonnen te kauwen, rook het mamameisje aan de toastjes. ‘Mmm, dat ruikt goed,’ zei ze en nam een hapje. Haar dochters volgden haar voorbeeld.
Toen gebeurde er iets dat in de geschiedenis van Osken zijn weerga niet kent. In een wolk van giftig-rode damp begonnen de armen en benen van de meisjes te krimpen en al wat er tussen zat te groeien. De kleren knapten van hun lijven die de vorm aannamen van lange, dikke worsten. Hun hoofden zetten uit, neus en bovenlip groeiden aan elkaar vast en de topjes van hun oren, spits en vlezig als verse laurier, vielen van schrik slap om. De hoofdharen braken in kleine stukjes en bedekten hun naakte lichamen. De staartjes knapten in hun geheel af en hechtten zich aan de onderkant van de rug. ‘Knorknor,’ zeiden de dames en daar was alles mee gezegd. Het enige dat nog aan hun vroegere uiterlijk herinnerde, waren hun pientere oogjes en de kleur van hun tot hoeven samengegroeide handen en voeten. Roze. De Paardenmarkt, waar de gedaanteverwisseling zich voltrok, heet sindsdien de Varkensmarkt.

Hendrik was zich een bult geschrokken, maar hij had wel zijn lesje geleerd. De neus vol van uiterlijke schijn, viel op een dag zijn oog op Liza, dochter van de tuinman, die al lang warme gevoelens voor hem koesterde. Geen betoverende Aphrodite, maar wel lief, bescheiden en verstandig. Bijzonder aan haar was haar heerlijke lichaamsgeur. Ze rook naar appelbloesem. Ook ‘s nachts en ‘s morgens vroeg en dat is wel héél bijzonder.
Hendrik en Liza trouwden met elkaar en kregen veel, heel veel lieve, lekker ruikende kinderen. Bram groeide uit tot een prachtige eik, een ontmoetingsplaats voor verliefde jongens en meisjes. Van Arnold is nimmer meer iets vernomen.
Zo komt het dat jonge mannen in Osken een vrouw kiezen met hun neus. Al ziet ze er nog zo mooi uit, als de geur hen niet bevalt, maken ze zich snel uit de voeten. Want voor je het weet ben je slachtoffer van een helleveeg en dan zijn de rampen niet te overzien. Ook zijn er sinds die onverkwikkelijke gebeurtenis nog maar weinig mensen in Osken die varkensvlees eten. Want voor je het weet heb je een stukje Arnold tussen je kiezen en wie weet wat er dan met je gebeurt.

 

 

Grappig verhaal, vond Lieveke. Eens wat anders dan sprookjes over kabouters, prinsen en prinsessen. ‘Hebt u een goede neus voor vrouwen, paardenman?’ Wat een vraag, ze schrok er zelf van. Zo persoonlijk. Nou ja, waarom ook niet? Ze wilde eindelijk wel eens weten hoe het zat. Zo’n aardige man en geen vrouw. Vreemd toch? Zag er in zijn slonzige kleren inderdaad niet uit, woonde in een oude, tochtige huifkar, dat wel, maar toch. Een vrouwenhand zou er geen kwaad kunnen. Niet dat hij, op zijn manier, niet proper was, opgeruimd en netjes schreef je toch anders.
Hij zou, zo werd verteld, vroeger in een gewoon huis hebben gewoond. Biolograaf zijn geweest of zoiets. Had op een dag de deur achter zich dichtgetrokken, was op de bok van zijn huifkar geklommen en had ‘allee-hup’ geroepen naar het fjordenpaard dat er voor stond. Nadat hij genoeg van de wereld had gezien, was hij neergestreken op de Oskense Heide en zijn kar trouw gebleven. Zo ging althans het verhaal.
...sprookjesverteller...

Ach, het zou wat, er werd zoveel verteld. Geroddeld meestal. Klusjesman was hij en sprookjesverteller. Een heel knappe, dat zeker. In zijn hoofd tenminste. Zoals hij zijn woorden koos, z’n droge humor. Dreef de spot met alles en iedereen. Niet grof, op een grappige manier. Hij kon wel fel uithalen, vooral naar de Hotemetoten die het land bestuurden, maar over het algemeen was hij de zachtmoedigheid zelf. Wat had hij niet allemaal voor haar gedaan? Geduldig alles geleerd wat hij wist. Pony rijden, pony verzorgen en nog zoveel meer. Hij had haar verteld over wat krom is in de wereld en waarom, over standen, standsverschillen, recht, onrecht, armoede en rijkdom. Moeilijk te begrijpen soms.
Over krom gesproken, neem nou haar vriendin Petra… ‘Een liegbeest als Joepie,’ had hij glimlachend gezegd. Zelf had ze er vaak moeite mee. Al die smoezen om ergens onderuit te komen.
‘Creatief omgaan met de waarheid,’ zei hij vergoelijkend. Nee, hij wilde niets kwaads over haar horen. ‘Het kind kan er ook niets aan doen. Zoals de ouden zingen, piepen de jongen. Geef jij maar het goede voorbeeld, misschien leert ze er wat van.’
En wat hield hij van haar. Van haar, Lieveke. Alsof ze zijn dochter was. Of kleindochter. Ja, zo oud was hij al. Oefening Enge Man. ‘Je weet maar nooit, meisje.’ Steeds bang dat haar iets zou overkomen.
Over zijn verleden zweeg hij in alle talen. Ze had er ook nooit naar gevraagd. Hij had zich wel eens iets laten ontvallen. Hij zei: ‘Je doet me vaak denken aan Henriëtte, een jeugdvriendin van me. Open, spontaan, eerlijk. En een mooie zangstem, net als jij. We zaten allebei bij het GOKK, het Groot Oskens Kinder Kamerkoor.’
Ja, zo noemde hij haar wel eens, Henriëtte. Dat geheugen van hem… Voor namen tenminste, hij gooide ze allemaal door elkaar. Dingen die gebeurd waren, vergat hij echter niet. En als ze weer eens iets vergeten was en hij had het gemerkt, helaas ook niet. Hij wist het wel leuk te brengen. ‘Eens, lang geleden, toen Azen nog een klein zelfstandig koninkrijk was... zorgden de ponymeisjes ervoor dat na het rijden het bit van de pony goed werd schoongemaakt. Als ze het vergaten en de stalmeester zag het bij een controle, moesten ze een uur onkruid plukken. Niet als straf, als geheugensteuntje.’
‘Schrijf maar een sprookje als geheugensteuntje,’ had ze op een keer gezegd. Een grapje. Ze was vergeten het hoofdstel, waarvan het stiksel losliet, naar de zadelmaker te brengen. Ze had Komiek een oud hoofdstel willen omdoen, maar daarvan paste de neusriem niet. ‘Levensgevaarlijk!’ had de paardenman gezegd. ’Dan verlies je elke controle over het dier.’ De volgende dag lag het sprookje voor haar klaar. Wat hij over standen en standsverschillen had verteld, had hij er ook maar meteen in verwerkt.

 

De Garnaal

 

...Atyaephyra was haar volledige naam...

 

EEN arme timmerman zat op een maandagmorgen op de werkbank in zijn werkplaats en peinsde zich de kop gek hoe hij rijk kon worden. Hij was een vakman. Je zou denken dat zo’n man best een dikke boterham kan verdienen. Probleem was echter dat hij geen mens was maar een garnaal. Om precies te zijn: een zoetwater garnaal.
Garnalen bouwen hun eigen hutjes en als er iets stuk is maken ze het zelf. Behalve de koning en die was dan ook de enige die hem opdrachten gaf. Dat hield niet over. De koning bekommerde zich niet om piepende deuren en inzakkende kasten in zijn paleis maar zat dag in dag uit op de bovenste sport van een ladder, van waar hij een goed uitzicht had op zijn onderdanen. Dol op werken, genoot hij van hun vlijt en ijver.
‘Dat zou ik ook wel willen,’ zei de timmerman tegen zichzelf. ‘Waarom zit hij daar en niet ik? Uiteindelijk is hij ook maar een gewone garnaal.’
De timmerman was niet de enige die dat dacht. Maar er was nooit iemand in geslaagd de koning van zijn troon te stoten. Wie de ladder beklom, kwam nooit verder dan de op één na laatste sport. Wie die vastgreep, trapte de koning ongenadig hard op de vingers.
De timmerman bedacht een slim plannetje. Niet door geweld en kracht maar met geduld en zacht zou hij zijn doel bereiken. Hij vulde een mand met lekkere hapjes en ging naar de koning. ‘Sta mij toe dat ik u verwen, uwe majesteit!’ riep hij naar boven.
De koning was gevleid en liet de timmerman de trap beklimmen. De hapjes smaakten verrukkelijk en de koning vroeg om meer. ’Geheel tot uw dienst, majesteit’, zei de timmerman, ging naar huis en vulde de mand opnieuw.
Na een tijdje genoot hij het vertrouwen van de koning en mocht hem tot op de op één na hoogste sport naderen. Daarop zette de koning zijn voeten voor het geval de timmerman toch kwade bedoelingen zou hebben. Het lagere volk is nu eenmaal niet te vertrouwen.
De timmerman reikte echter niet naar zijn enkels, zoals booswichten eerder hadden geprobeerd, maar likte zijn hielen. Het beviel de koning zeer en hij sloot zijn ogen van genot. Dat was het moment waarop de timmerman had gewacht. Al likkend nam hij de kroon van het hoofd van de koning en zaagde de sport waarop hij zat onder hem vandaan. De koning smakte van zijn troon en was vanaf dat moment een gewone garnaal. De timmerman zette de kroon op en riep zichzelf tot koning uit.
‘Hoera! Lang leve de koning!’ juichten zijn onderdanen en zetten de gevallen koning aan het werk.

‘Alleen is ook maar alleen,’ zei de nieuwe koning en ontbood de hofdames. Zijn oog viel op een slanke garnaal met groene haren en blauwe ogen. Hij beval haar hem een kind te baren. Niet lang daarna aanschouwde prinses Aty het levenslicht. 
Atyaephyra was haar volledige naam, maar die kon niemand uitspreken. Net als haar moeder had ze groene haren en blauwe ogen, wat in de ogen van garnalen het toppunt is van schoonheid.
De koning was verrukt. Hij liet twee zeepaardjes voor de gouden koets spannen en reed zijn rijk rond om haar aan zijn onderdanen te tonen.
‘Lang leve prinses Aty!’ riepen de onderdanen. Daarna gingen ze weer aan het werk.

Prinses Aty groeide uit tot een prachtig mooi meisje. Hoewel ze groene haren had, was ze niet dom. Wel vergeetachtig en dat zou haar op een dag opbreken.
Omdat ze een meisje was van hogere stand, was het haar niet toegestaan te werken. ‘Verschil moet er zijn,’ zei de koning en de koningin was het volledig met hem eens.
Om haar verveling te verdrijven reed prinses Aty elke dag paard. Ze had er twee: Hippocampus, een brave, oude merrie en Phyllopteryx, een jong dartel zeepaardje dat nog beleerd moest worden. Hippo en Phyllo heetten ze in de wandeling.
Toen Phyllo oud genoeg was om bereden te worden, nam de zadelmaker de maat en maakte een hoofdstel. Het was een oude garnaal die niet goed meer kon zien en zo kon het gebeuren dat het hoofdstel niet goed paste. Het leertje waarmee de neusriem moest worden vastgegespt was te kort. Of de zadelmaker had niet goed gemeten, of zich bij het maken verkeken of de neus van Phyllo was intussen flink gegroeid, dat is ook mogelijk.
‘Daar kun je niet mee rijden,’ zei de koningin tegen haar dochter. ‘Levensgevaarlijk! Ik zal de zadelmaker opdragen een nieuw hoofdstel te maken.’
‘Ja moeder,’ antwoordde Aty gehoorzaam, maar was het na een paar dagen al weer vergeten. Ze deed Phyllo het hoofdstel om, trok de neusriem er uit, klom op zijn rug en gaf de sporen. Bokkend en steigerend probeerde het paardje zijn ruiter af te gooien. Toen dat niet lukte, rende het in wilde galop tussen de waterplanten door. Aty trok de teugels strak maar omdat de neusriem ontbrak, had dat geen enkel resultaat. Er leek geen einde te komen aan de dolle rit. Plotseling doemde een rots op waar het paardje geweldig van schrok. Het stond abrupt stil.
Prinses Aty vloog als een pijl uit de boog over zijn hoofd, dwars door de waterspiegel en belandde op een pad naast de rivier. Ze snakte naar adem. Toen ze van de schrik was bekomen, baande ze zich een weg naar het veilige water, maar voordat ze dat kon bereiken dreigde er opnieuw gevaar. Grote, pluizige kattenpoten slopen nieuwsgierig naderbij. O, welk een droevig lot! ‘Vergeet mij niet!’ riep ze naar haar paardje, dat snel onderdook en een veilig heenkomen zocht.

Op de plaats waar de geschiedenis van het vergeetachtige garnaaltje eindigde, groeien nu kleine plantjes met behaarde, langwerpige, groene blaadjes, met langs de opstijgende stengels kleine bloempjes, blauw als de ogen van prinses Atyaephyra. Vergeet-mij-nietjes, zeggen de mensen. Garnalen noemen ze Timmermansverdriet.

 

 

Wat een verhaal! Zoiets kon alleen maar opkomen in het hoofd van de paardenman, meende Lieveke. Azen een koninkrijk, dat leek haar wel wat. Al die pracht en praal. Gouden koets en zo. Nee, dan was het nu maar een saaie boel.
De paardenman onderbrak haar gepeins. ‘Of ik een goede neus heb voor vrouwen, wilde je weten? Ik heb een neus voor goede ponymeiden,’ zei hij met een spotlachje. ‘Luister, een esoterisch verhaal.’ Wat hij met esoterisch bedoelde, begreep Lieveke aan het slot: wie het snapt, mag het zeggen.

 

DE PARADIJSVOGEL

 

...buiten zichzelf van woede...

 

ER was eens een paradijsvogel. Niet die mij over Het Land van Immer vertelde, een andere die nog op aarde leefde. Hij was de weg kwijtgeraakt en vloog boven zee. Gekweld door honger en dorst streek hij neer op de vlaggenmast van een zeilscheepje, bemand door de kapitein en drie matrozen. Ze gaven hem te eten en te drinken en vroegen hem bij wijze van dank een lied voor hen te zingen. Uit volle borst zong de paradijsvogel het hooglied, een lied waarin de liefde wordt bezongen. De kapitein, geen stoere zeebonk maar een avontuurlijk aangelegde, romantische alsook dichterlijke vrouw, vond het zo prachtig  dat zij de vogel aanbood op het schip te blijven, op voorwaarde dat hij het dagelijks voor haar zong.

Voortaan at de paradijsvogel van een gouden bordje en dronk hij uit een gouden beker. Er ontstond een hechte band tussen hem en de bemanning. Maar, waar de wijsgeer der wijsgeren duizenden jaren geleden al voor waarschuwde, ook gevlochten touw kan breken. Op een dag kreeg de vogel het hooglied niet meer uit zijn strot en zong zijn eigen lied. De kapitein geraakte buiten zichzelf van woede, jouwde hem uit en... joeg hem weg.
Vliegen was hij ontwend, hij belandde in de golven. Terwijl hij naar de diepte zonk, streek een andere vogel neer op zijn stok. Gestuwd door de klanken van diens lofzang verdween het schip aan de horizon.
Een visser redde de paradijsvogel van de verdrinkingsdood. Hij troostte hem met de gedachte dat een schip beter met een vreemde vogel kan varen, dan dat de bemanning krankzinnig wordt van de stilte, het schip op de klippen loopt en terecht komt tussen de ontelbare wrakken waarmee de bodem van de oceaan is bezaaid.

De visser bracht de vogel aan wal, waar hij jarenlang rusteloos rondzwierf. Op een dag kruiste een ezel zijn pad aan wie hij zijn verhaal vertelde. Die had medelijden met hem en nam hem mee naar de wereld waar iedere vogel zijn eigen lied zingt: de Wereld van de Kunst. Daar aangekomen vroeg de ezel hem het hooglied, dat hij niet kende, eenmaal voor hem te zingen, wat de paradijsvogel uit volle borst deed. Het werd ook gehoord door een toevallig overvliegende paradijsvogel. Geen hij maar een zij, een avontuurlijk aangelegd, romantisch alsook dichterlijk type. Ze streek neer aan zijn voeten en bood hem aan haar nest met haar te delen, op voorwaarde dat hij dagelijks het lied voor haar zong. ‘Een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen,’ zei de ezel. Omdat een paradijsvogel geen ezel is, bood hij hem aan hem op zijn verdere tocht te vergezellen ten einde hem met raad en daad bij te staan. Er ontstond een hechte band tussen die twee. En die bestaat nog steeds.


klik

...don't cry for me...