Sprookjes van de Paardenman

Verander de achtergrondkleur

 


De Ziekte

van

Pfff...


 

...de kabouters van Koolrijk...

 

 

 

 

Nachthengst

Prinses Blommeke

Het Land van Immer

De kunstenaar van Limland

Angelo Verdino

Sint en Luie Jan

De Eenra

Helena

Anton de leeuw

Joepie de kruisspin

Lucas Marcus

De Ziekte van
Pfff... 1

De Ziekte van
Pfff... 2


Helmer

Prinses Philo/De Wildemannen

Het mooie meisje/De garnaal/De paradijsvogel

Isolde

Anderson

Chantal

Mark
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Beducht voor naderend onweer zocht Lieveke tijdens een van haar zwerftochten beschutting in een klein kerkje aan de bosrand. ‘Hier bidt men tot Anneke voor een manneke, dit is geen toevluchtsoord voor pony’s!’ mopperde de koster die daar aan het werk was. ‘Waarom bind je het dier niet buiten vast aan een boom?’
‘En als de bliksem in die boom slaat?!’ antwoordde Lieveke verontwaardigd.
‘Ponymeiden,’ mopperde de koster. ‘Behandelen een dier als een mens. Als jij er maar voor zorgt dat ie niet gaat mesten.’ 
De koster was zo’n kwaaie nog niet; even later verraste hij haar met een kop thee. Verlegen om een praatje, vroeg hij waar ze vandaan kwam, van wie de pony was en zo meer.
‘Mijn pony,’ antwoordde Lieveke op de laatste vraag, ‘maar de paardenman is de eigenaar.’
‘Zoals mijn vrouw mijn vrouw is en toch niet mijn eigendom,’ zei de koster glimlachend. ‘Wie zei je ook al weer dat de eigenaar was?’
‘De paardenman.’
‘Toch niet de historicus?’
‘Hij vertelt wel eens geschiedenissen, maar dat zijn sprookjes.’
‘Dan zal hij je ongetwijfeld wel eens verteld hebben over de kabouters van Koolrijk.’
‘Nee, dat verhaal ken ik niet.’
‘Doe de paardenman de groeten van mij en zeg hem dat hij je die geschiedenis niet mag onthouden.’ 

'Waar nu de aan Vrouwe Anna gewijde kapel staat, bevond zich eens, lang geleden, het kabouterstadje Koolrijk,’ zei de paardenman, toen Lieveke bij terugkomst ernaar vroeg. ‘Na de komst van de mensen hebben de kabouters de wijk genomen, maar hun geschiedenis is bewaard gebleven. Zij werd op een van Helena’s sprookjesverteldagen onthuld door een oude geitenbok, een scherpzinnig dier met een fantastisch geheugen. Tot in de kleinste details deed hij de gebeurtenissen uit de doeken. Bij gelegenheid zal ik je die wel eens vertellen.’
Die gelegenheid deed zich voor toen de lucht weer eens inktzwart kleurde.
‘Het is een lang en ingewikkeld verhaal. Net als de bok zal ik het niet in een keer vertellen,’ zei de paardenman en begon.

 

OEDE vrienden waren het. De een heette Bassus, de ander Orch. Ze woonden in Koolrijk, een kabouterstadje op de Oskense Heide, in die dagen een ongerept natuurgebied waar herten leefden en konijnen, wolven en wilde zwijnen. 
Koolrijk was een gezellig stadje. Er was bijna dagelijks feest: de verjaardag van elke kabouter werd uitgebreid en door iedereen gevierd. Was er niemand jarig, dan bedachten Bassus en Orch wel iets. Zo ontstonden Witte Kooldag, Groene Kooldag, Rode Kooldag, Bessendag, Bramendag, Eikeltjesdag en Erwtendag. Verzot op kokkerellen, zorgde het tweetal ervoor dat er steeds genoeg te smikkelen en te smullen viel. Zingend, zichzelf begeleidend met klepperende pollepels, brouwden ze de vreemdsoortigste gerechten.

Poken, poken, poken
Een schoorsteen die moet roken
Knetter, knetter, knetter
Veel boter en gespetter
Smullen, smullen, smullen
Wij gaan weer buikjes vullen

Smulpapen waren het. Bassus’ buik hing zo wat op zijn knieën. Toch kon hij rap zijn. Zittend in een door een rendier getrokken kar, was hij iedereen te snel af. Hij had het dier gered toen het met zijn gewei verstrikt was geraakt in laag struikgewas en zich lelijk had verwond aan scherpe doorns. De wolven hadden zijn bloed geroken, hun angstaanjagende gehuil kwam snel dichterbij. Kabouter Bassus, op zoek naar kruiden, was ze voor. Met enkele houwen van zijn kapmes bevrijdde hij het dier en samen snelden ze naar het veilige Koolrijk. 
Nadat zijn wonden waren genezen, bleef het rendier bij zijn redder. Wat deze kabouter uit zijn kookpot toverde, kon de natuur hem niet bieden. Voor wat hoort wat. Daarom trok hij gewillig kar met Bassus en nam diens gezang op de koop toe.

Over heuvels in de dalen
Eikeltjes en kruiden halen
Geen geloop en geen gesjouw
Met de kar zijn we er gauw
Lekker draven, lekker draven
Sneller, sneller dan de raven

Net als Bassus was kabouter Orch een voortreffelijke kok alsook een organisator. Zo zorgde hij ervoor dat op het stadsplein gezellige zitjes kwamen, een dansvloer en een podium voor de speellieden. Die rondtrekkende muzikanten kwamen maar wat graag. Ze kregen niet alleen volop te eten en te drinken, maar bij hun vertrek ook enkele glanzende muntjes. Die konden ze onderweg ruilen voor voedsel of wat ze anders nodig hadden.
Kabouter Orch had er een kist vol van. Zijn grootmoeder had ze gemaakt van uit geel erts vloeibaar gestookt metaal, dat ze liet afkoelen in een vorm van blaadjes van witte muntkruiden. Golden monêta, noemde ze die, oud-kabouters voor gouden munten. Ze versierde ze door er met een scherp voorwerp tekeningetjes in te krassen. Nadat grootmoeders tijd op aarde was verstreken, kreeg kleine Orch ze om mee te spelen. Toen kleine Orch grote Orch was geworden, verdween de kist naar de zolder. Grote Orch had meer belangstelling voor grootmoeders keukengeheimen. Hij probeerde al haar recepten uit, op één na: daarin stond hoe worstjes konden worden gemaakt van dierenvlees. (Kabouters zijn vegetariërs.)

Het was vlak voor een Erwtendag toen Orch aan het recept werd herinnerd. Bassus en hij waren op zoek gegaan naar kruiden en stuitten op de terugweg op de restanten van een geit, die in handen was gevallen van een roofdier. Er zat nog aardig wat vlees op de botten. Dat werd eraf gesneden, in Bassus’ kar gelegd en thuis naar grootmoeders recept verwerkt tot worstjes. Die gingen in de erwtensoep. Alle Koolrijkse kabouters die er op Erwtendag van proefden waren vol lof. Ook de kabouters van het naburige dorp Oezenbos, die zoals steeds werden getrakteerd op wat overbleef, waren er verrukt van. Daar kon zelfs hun eigen veelgeprezen oezensoep, een krachtig afkooksel van pittige naaldboomzwammen, niet tegenop. Zulke soep lustten ze elke dag wel. Ze wilden er zelfs iets voor in ruil geven. Dat zette Bassus en Orch aan het denken. Wie weet wat voor leuke dingen het opleverde? Pruttel de pruttel, spetter de spetter en de buurkabouters konden aan tafel. Overladen met dankjewels, een kar vol oude harken, versleten kruiwagenwielen en zakken eikels keerden Bassus en Orch huiswaarts.

De vraag naar erwtensoep met worst was hiermee niet van de baan. Kabouters in andere dorpen hadden ervan gehoord en ook de Koolrijkse vroegen er steeds naar. Bassus en Orch besloten een tijdlang elke dag grote pannen met soep en worst te maken en riepen andere kabouters te hulp. Die wilden de handen wel uit de mouwen steken in ruil voor muntjes. Goed idee, vond kabouter Orch. Als hij in ruil voor de soep muntjes zou vragen, kwamen ze toch weer bij hem terug. Met een schuur vol oude harken en versleten kruiwagenwielen kon hij toch niets beginnen.
Per rendier en kar werden grote hoeveelheden erwten en kruiden ingeslagen. Zo kregen veel kabouters al munten, die ze later konden inwisselen voor erwtensoep met worst. Voor het vlees werd aangeklopt bij kabouter Boer. Die was graag bereid voor een handvol munten enkele oude, uitgemolken geiten af te staan en voor een muntje extra wilde hij ook nog wel het leven van de dieren bekorten. Dat deed hij zingend.

In het groene land
Waar boterbloemen bloeien
Stond geitje aan de kant
Van ouderdom te loeien
Het einde is in zicht
Kabouter Boer komt helpen
Het is zijn dure plicht
Het vreeslijk leed te stelpen

Kabouter Boer zong zo afschuwelijk vals, dat de zielen van de dieren in allerijl vertrokken naar vrediger oorden.
De koks konden aan het werk. Hoeveel soep ze ook brouwden, de honger was niet te stillen. De keukens van Bassus en Orch waren al snel te klein. Er werd een groot Kookhuis gebouwd. Vervolgens ontstond een tekort aan pannen - er verrees een Panhuis. Met kruiwagens werden de pannen met soep over de hobbelige paden naar de klanten gereden - de naastgelegen sloten kleurder groener dan groen. Het Karhuis zorgde voor vierwielige, verende karren. Bassus’ rendier ronselde sterke herten, die in ruil voor een lekkere hap ermee over de bospaden sjouwden, opgewekt zingend:

Sneller dan de wind
Lopen wij gezwind
Brengen rond de soepen
Waarom wordt geroepen

Bassus en Orch waren dag en nacht in de weer en riepen de hulp in van kabouters die goed konden tellen. Van het lang achtereen zitten in het Telhuis kregen de telkabouters koude voeten - het Weefhuis zorgde voor tapijten.
De glans van het goud lokte kabouters uit heel kabouterland naar Koolrijk. Zo kon het gebeuren dat het voorheen zo rustige, landelijke Koolrijk uitgroeide tot een drukke, bedrijvige kabouterstad.

 

...golden monêta...

 

De erwtensoep met worst zorgde voor ‘welvaart’. Zo noemden de tuinkabouters het die het woord hadden meegebracht uit het land van de mensen. Het waren kabouters die in hun jonge jaren daar hun geluk hadden gezocht. In die niet op kabouters ingestelde wereld eindigden ze stuk voor stuk als gastarbeiders in tuinen, waar ze voor een peen en een spruitje het werk deden waaraan veel mensen een hekel hebben. Wat het woord welvaart inhield wisten ze precies: dat wat zij niet hadden gekend. In elke kabouterwoning kwam tapijt te liggen. Oude kookpannen werden niet meer opgelapt maar door nieuwe vervangen, tafels niet langer met zand geschuurd maar bedekt met kleurige kleedjes. Er werd niet langer gegeten uit zelfgesneden houten nappen, maar van glanzende borden van gebakken klei. En de koutertjes werden verwend met steeds weer nieuwe speelgoedjes.

Voor de aanvoer van al die welvaartsartikelen zorgde kabouter Rinkel, een caupo, een kramer, die met een mand op zijn rug stad en land afstroopte op zoek naar nuttige en leuke dingen. Terug in Koolrijk rinkelde hij met een bel en riep ‘caupo, caupo!’ Het klonk als 'kopen', een woord dat ingang vond toen hij het voorbeeld van Bassus en Orch volgde en in ruil voor zijn waren alleen nog maar muntjes aannam.
Kabouter Rinkel deed goede zaken. Hij kocht borden, kommen en kopjes bij de kleikabouters, schoenen, tassen en jassen bij de leerkabouters en allerlei grappige speelgoedjes en snuisterijen bij de speelkabouters. Het verschil tussen wat het hem kostte en wat hij er zelf voor vroeg, noemde hij een ‘habbekrats’. Daarvan bouwde hij een Warenhuis: De Winkel van Rinkel.

Ook de kabouters van het Karhuis voeren wel bij de welvaart. Veel kabouters wilden net als Bassus tochtjes maken in een rendierkar. De ‘karbouters’ bouwden sjeesjes voor ze, in vrolijke kleuren beschilderde, lichte, tweewielige wagentjes. Ze waren duur, het bouwen kostte veel tijd, maar dankzij kabouter Fox stond spoedig voor bijna elke kabouterwoning een sjees. Wie te weinig muntjes had en geen zin in sparen kon bij hem terecht. In plaats van ze voor zijn eigen plezier uit te geven, leende Fox zijn muntjes uit tegen een kleine vergoeding. Zittend op een bankje voor zijn huis deed hij zaken. Na een tijdje zat hij op een bank. Omdat ieder zijn schulden ermee kon vergelden, werden de munten na verloop van tijd ‘geld’ genoemd.

Het nieuwe woord bezegelde de ommekeer in het bestaan van Koolrijk. Er was veel veranderd en er gebeurden opeens vreemde dingen. Werd vroeger alleen gewerkt als het nodig was, nu leek het doel op zich te zijn. Niet het werk, het geld was de drijfveer. Het eenvoudige, gemakkelijke leventje van voorheen verloor zijn glans, daar viel geen welvaart mee te kopen. De gemoedelijkheid en ouderwetse gezelligheid verdwenen, de Ziekte van Pfff kwam ervoor in de plaats.
In het beginstadium uitte de kwaal zich in veelvuldig steunen en kreunen, al snel gevolgd door zenuwachtigheid, knorrigheid en plotselinge huilbuien. Na hun werk voelden de zieken zich moe en hadden nergens meer zin in. Het was een besmettelijke ziekte. Er werden geen spelletjes meer gedaan met de kinderen, de feesten op het stadsplein verdwenen evenals de klussendagen waarop de huizen werden gepoetst van kabouters die daar zelf te ziek of te oud voor waren. Een tot dan toe onbekend verschijnsel van de Ziekte van Pfff openbaarde zich bij de Bollebozen, de knapste en handigste kabouters van kabouterland. Het leek aanvankelijk een onschuldig, grappig bijverschijnsel.
Werden de Bollebozen voor het inzetten van hun knapheid en handigheid zoals steeds beloond met een vriendelijk dankjewel of een schouderklopje, opeens was dat niet meer genoeg. De knapperds en handigerds voelden de zonderlinge drang in zich opkomen boven de andere kabouters uit te steken. De andere kabouters lachten er hartelijk om, ook kabouter Rinkel - die lachte in zijn vuistje. Hij zag habbekratsen in het fenomeen en liet stelten maken. De Bollebozen waren verrukt. Lang duurde de vreugde niet, ze kregen last van evenwichtsstoornissen.
Statusontsteking, constateerde kabouter Rinkel.
Kabouter Prik stond versteld van zoveel medische kennis bij een eenvoudige caupo. Als kruidendokter had hij veel geleerd door eigen onderzoek en dikke boeken na te pluizen, maar statusontsteking was hem volslagen onbekend. Toegegeven, ook een kruidendokter weet niet alles. Kabouter Prik genas ziektes met theeën van aan stokjes geprikte kruidenmengsels die hij ingewikkelde namen gaf. Viooltjesthee tegen jeukziekte heette Violaceae, thee van gedroogde blaadjes van de bosaardbei tegen maagpijn Rosaceae. De namen maakten van iets gewoons iets bijzonders, er ging een genezende werking van uit. De statusontsteking ging Prik te lijf met kruidenpapjes die op het voorhoofd moesten worden gesmeerd. Papjes noch ingewikkelde namen baatten. Daarna probeerde hij het met oordruppels. De ziekte zat, meende hij, tussen de oren. De Bollebozen werden almaar zieker en kregen bovendien last van rare dromen over kisten met gouden muntjes waar goudzilver gekleurde bloempjes op groeiden. Als ze die wilden plukken, verscheen er een kabouter in een goudzilver gestreept pak die op boze toon zei: ‘Blijf van mijn simbooltjes af!’ Op dat moment schrokken ze wakker met buikpijn, hoofdpijn en duizelingen. Sindromen, wist kabouter Rinkel. Bozeboldromen, volgens kabouter Prik, die moest bekennen dat zijn medische kennis andermaal tekort schoot.

Simbooltjes bleken te bestaan, het Groot Kabouter Kruidenboek vermeldde ze onder de Luisterbloemigen. Ze waren familie van de viooltjes en het fluitenkruid en groeiden in bosrijke gebieden aan de rand van steden.
Kabouter Prik ging op zoek. Maar waar hij ook zocht, hij kon geen simbooltjes vinden. Ten einde raad namen de Bollebozen het heft in eigen handen. Uit hun sindromen bleek dat simbooltjes op gouden muntjes groeiden; ze vroegen Bassus en Orch er een kruiwagen mee te vullen. Die zeiden dat het niet kon, dat de muntjes nodig waren om alle soep-, pan-, tel-, weef- en karkabouters voor hun werk te betalen. Dat vonden de knapperds en handigerds knap vervelend en ze bedachten iets bollebozigs. Ze wezen Bassus en Orch op het grote belang van hun uitvindingen, die de arbeid verlichtten en ervoor zorgden dat met minder kabouters meer erwtensoep met worst kon worden gebrouwen. Zo hadden ze een windmolen uitgevonden die machines aan het werk zette. Eén zo’n machine was een reuzengrote pollepel die voortdurend in de soep roerde, wat tien roerkabouters overbodig maakte. Een andere vinding was een gehakt- en worstmolen, die in een uurtje van een hele geit een grote pan met worstjes draaide, wat twintig worstkabouters scheelde. Zo werden er alle dagen nieuwe dingen bedacht. Vergeleken met de eenvoudige arbeid van de andere kabouters, was dat meerwaardig werk. Het was dan ook niet meer dan rechtvaardig dat de Bollebozen de muntjes kregen van de kabouters die door hun uitvindingen overbodig waren geworden.
Bassus en Orch waren geschokt. Ze vermoedden dat deze zotte redenering een gevolg was van de statusontsteking en beloofden de gevraagde muntjes te geven. Maar omdat nu iedere kabouter muntjes had, was de kist van Orch bijna leeg.
Het maken van nieuwe munten was niet echt een probleem, kabouter Orch had grootmoeders recept. Er was een oven nodig met een torenhoge schoorsteen - de Munttoren zag het licht. Het maken van goud was eenvoudig, er munten van bakken iets moeilijker. Het moeilijkste was er de tekeningetjes op te krijgen. Die erin krassen, zoals grootmoeder had gedaan, duurde veel te lang. Daar vond kabouter Knip iets op, een knappe alsook handige telkabouter. Hij bedacht en maakte een knijpijzer waarin munten konden worden gebakken en tegelijkertijd bedrukt werden met een tekeningetje.
De Bollebozen kregen waar ze om hadden gevraagd. Ze kieperden de muntjes in een kist en wachtten gespannen af. Na een maand lag er een dikke laag stof op, waarop alleen spinnenwebben wilden groeiden. Op advies van de tuinkabouters werden de muntjes afgedekt met een laagje aarde. Prachtige, diepgele goudsbloemen waren het resultaat. Daar werd thee van gezet. De buikpijn verdween maar de duizelingen en de hoofdpijn bleven.
Kabouter Rinkel dacht dat het misschien zou helpen als de Bollebozen zich zouden kleden als de kabouter in hun dromen en liet goudzilver gestreepte jassen en broeken maken. Nu de aandacht was gevestigd op de kleding van de droomkabouter, ontdekten ze dat deze ook een donkerrode vilten puntmuts met gouden belletjes en schoenen van zilverleer droeg. Andermaal schoot kabouter Rinkel te hulp en incasseerde dankbaar zijn habbekratsen.
De Bollebozen waren op de goede weg. In hun sindromen maakten de kisten met gouden muntjes plaats voor droomhuizen en droomtuinen met vijvers waarin kinderen zwommen en ravotten. De droomkabouter zat vrolijk lachend op een kleurig beschilderde paddestoel in een perk vol bloeiende simbooltjes. Nu was het duidelijk. De droomkabouter gaf aanwijzingen die op een dag zouden leiden naar de vindplaats van die geneeskrachtige bloemen.

Zo kon het gebeuren dat de Bollebozen na een tijdje in veel te grote huizen met veel te grote tuinen woonden, die voor de gezelligheid werden vol gezet met alle prullaria die Rinkel maar kon aanslepen. Ook lieten ze hun sjezen overschilderen in goud- en zilverkleuren en versieren met toeters en bellen. Het zag er allemaal prachtig uit, maar het leverde ook een hoop werk op. Met het schoonhouden van de huizen en het onderhouden van de tuinen werden de zieken echter geholpen door kabouters die een muntje extra konden gebruiken.
Hoewel er in de bloemperken geen simbooltjes gingen groeien, genazen de Bollebozen volledig. Met hun luxe staken ze nu ver uit boven de andere kabouters. De droomkabouter gaf te kennen dat het einddoel was bereikt en gunde hen voortaan een ongestoorde nachtrust. Daardoor verdween de statusontsteking. Wie een gezonde status heeft, lijdt niet aan sindromen. Wie niet sindroomt, wordt niet wakker met buikpijn, hoofdpijn of duizelingen. En wie van dat alles geen last heeft, hoeft ook geen simbooltjesthee te drinken.

Alle kabouters waren opgelucht. De gewone kabouters hadden er plezier in de Bollebozen in hun goudzilveren pakjes te zien rondstappen en noemden hen kunja’s, koningen. Hun vrolijkheid kreeg echter een lelijke knauw toen de droomkabouter opeens opdook in de vredige slaap van een aantal gewone kabouters. Die meenden nu ook genezing te moeten zoeken in goudzilveren pakjes, toeters en bellen. Omdat ze niets bollebozerigs konden bedenken, dachten Bassus en Orch dat ze malligheid verkochten. ‘Ieder krijgt wat hem toekomt,’ zeiden ze en hielden de hand op de knip. Dat veroorzaakte een nieuwe ziekte: Naijver. In ernstige gevallen ontstond gelaatsmisvorming; de kaboutermond sprak van ‘scheef gezicht’ en ‘schele ogen’. Net als tegen de Ziekte van Pfff schreef kabouter Prik paardebloemwijn voor van het eigenmerk Placebo. Die genas niet, maar maakte de kabouters wel een stuk vrolijker. Wie er te veel van dronk kreeg hoofdpijn, maar tegen die hoofdpijn hielpen de gewone medicijnen. En zo kwam alles toch weer een beetje goed.

 

 

Stelten

 

Naar
Deel 2